Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van den koopman die tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten. Voor dien afstand was echter de qualiteit van koopman geen vereisehte, men werd dus niet in die qualiteit tot den afstand toegelaten, met de ipialiteit tiad niemand zich op te houden. „De koopman die tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten" kan dus niet beteekenen: hij die wegens zijne hoedanigheid van koopman is toegelaten, en men zou dus moeten lezen: hij die koopman zijnde of geweest zijnde in staat van faillissement is verklaard, of koopman zijnde tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten; maar het is duidelijk dat dit niet in de wet staat. „De koopman die" moet voor beide gevallen dezelfde beteekenis hebben nu die beide gevallen in éene formule zijn samengevat , en aangezien die welke de Hooge Haai I er aan toekent voor het geval van faillissement niet past op het geval van boedelafstand, kan zij niet de juiste zijn.

Dat de koopman, tot gerechtelijken boedelafstand toegelaten, niemand anders is dan hij die terwijl hij koopman was toegelaten werd, blijkt ook uit eene vergelijking van art. 340 met 346, die noodzakelijk leidt tot de gevolgtrekking dat art. 340 en 341 alleen van hem spreken die nog koopman is. In art. 346 wordt immers gesproken van hem die zonder koopman te zijn tot boedelafstand is toegelaten; deze uitdrukking past ook volkomen op dengene die niet meer koopman zijnde toegelaten is, zoodat deze laatste niet onder art. 340 en 341 kan vallen.

Hetzelfde geldt, na de invoering van de Faillissementswet en de wijziging die art. 346 daarmede ondergaan heeft, van dengene die in staat van faillissement is verklaard; die, koopman geweest zijnde failliet is verklaard, is failliet geworden zonder koopman te zijn. Thans zal dus in elk geval de bestredene leer niet meer kunnen gelden.

Die leer leidt eindelijk tot de consequentie dat ook strafbaar zijn handelingen gepleegd door den later gefailleerde toen hij geen koopman meer was. Men heeft zich immers losgemaakt van de opvatting dat het zijn van koopman een vereisehte voor de toepassing van de betrokkene artikelen is; dit moet dan ook toegepast worden op het [ilegen der geïncrimineerde handelingen; maar, wil men dan consequent zijn, dan moeten, vermits de wet niet onderscheidt, zelfs de handelingen gepleegd voordat de dader koopman was strafbaar geacht worden. Hij toch die buitensporige verteringen heeft gemaakt of goed om niet heeft vervreemd (art. 341) ter bcdriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, daarna koopman is geworden en failliet is verklaard voldoet aan de omschrijving van iemand die omdat hij koopman geweest is failliet is verklaard, en buitensporige verleringen heeft gemaakt of goed om niet heeft vervreemd. En hiermede gaat men toch zeer zeker buiten de woorden der wet. De koopman

Sluiten