Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemde handelingen met de wetenschap dat daardoor de rechten der schuldeischers verkort moeten worden en dat die verkorting is ongeoorloofd l).

Verkorting van rechten bestaat overigens daarin dat de boedel, zoo als die feitelijk aan het beheer van den curator wordt overgegeven, minder goederen of baten of meer lasten bevat dan behoort. Het komt niet aan op het wegmaken van de rechten maar van de mogelijkheid tot uitoefening der rechten; zoo kan verzwijging van eene inschuld er toe leiden omdat zij den curator door diens onwetendheid de invordering belet2).

3. Volgens de Memorie van toelichting staat op den voorgrond dat er gehandeld moet zijn ter bedriegelijke verkorting van de rechten der gezamenlijke schuldeischers. Moet dit nu zoo opgevat worden dat allo schuldeischers zonder uitzondering benadeeld moeten zijn? Zoo ja, dan zal in zeer vele gevallen geene bedriegelijke bankbreuk aanwezig kunnen zijn. Niet alleen moet no. 3 van het artikel dan eene doode letter blijven, maar in elk faillissement waarin ook maar éen crediteur is die ten gevolge van hypotheek, pand of voorrecht door de gepleegde handelingen niet benadeeld kan worden, zijn deze onstrafbaar.

Maar de woorden der wet eischen geenszins deze opvatting der Memorie van toelichting. Er wordt niet gesproken van alle schuldeischers maar van de schuldeischers van den gefailleerde. En 1111 zijn de rechten der schuldeischers verkort wanneer de rechtsverhouding der schuldeischers onderling verbroken is, wanneer zij gezamenlijk

') Zno de Hooge Raad, 2 Juni 1890, Wbl. 5883, P. v. J. 1800, no. 79, en 10 October 1904, Wbl. 8124, I'. v. J. 1904, no. 382. Eerstgenoemd arrest heeft bestrijding gevonden bij mr. D. Siraons in Themis 1892, bladz. 47 en volg., inzonderheid bladz. 74 en volg. Deze schrijver erkent dat de bepaalde bedoeling tot benadeeling der crediteuren niet gevorderd kan worden, maar acht de wetenschap dat de benadeeling het gevolg der handeling moet z'Jn niet voldoende; hij verlangt de bedoeling van den dader 0111 zich zeiven of anderen te bevoordeelen en daarbij het willen van het nadeel dat daaruit voor anderen voortspruit. Maar deze bedoeling is niet iets dat buiten de handeling ligt en haar nader qualificeert: zij ligt in de handeling zelve opgesloten. En waar dit bij uitzondering niet zoo mocht zijn heeft men met haar niet te maken. Het geval laat zich bijv. denken dat iemand alleen uit zucht tot benadeeling van de schuldeischers eenig goed aan zijnen boedel onttrekt en dit vernielt of onbruikbaar maakt; zal die handeling straffeloos gepleegd kunnen worden omdat er geen voordeel voor den dader zeiven of voor een ander bij beoogd wordt ? Waar de wet eene devgelijke bedoeling wil (zie art. 317, 318, 328), spreekt zij van het oogmerk 0111 zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen.

2) Hooge Raad 1 December 1902, Wbl. 7847, P. v. J. 1903, no. 210.

Sluiten