Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover de activa van ilen boedel niet meer staan zooals zij behooren te staan, wanneer zij, als geheel genomen, hunne rechten of niet of niet volledig öf niet in de door de wet gewilde verhouding kunnen uitoefenen. Dit is het geval ook zelfs wanneer slechts éen der schuldeischers feitelijk in zijne lielangen getroffen is!).

4. De feiten die tot veroordeeling kunnen leiden zijn door gelijktijdig gebruik van den verledenen en den tegen woord igen tijd zóo omschreven dat zoowel hetgeen vóór als hetgeen gedurende het faillissement gedaan wordt er onder begrepen is.

Zoo is onttrekken van goederen aan den boedel het brengen van het goed buiten de macht niet alleen van den benoemden maar ook van den eventueelen curator 2).

Door de Faillissementswet is eene wijziging aangebracht ten aanzien van het uiterste tijdstip waarop zij gepleegd kunnen worden, dooide bepaling dat het faillissement geëindigd is door de vereffening (art. 193, vgl. 195 en volg.). Daarmede komt de gefailleerde weder in den toestand van vóór het faillissement en kan er van bedriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeisehers geene sprake meer zijn dan in verband met een eventueel later faillissement.

5. Het verdichten van lasten kan op verschillende wijzen geschieden: door vermelding in de boeken, door opgave aan den curator, door het schrijven van eene schuldbekentenis, door het accepteeren van wissels.

Dat de schuldenaar door de laatstgenoemde handelingen verbintenissen aangaat neemt niet weg dat de last een verdichte is. De strengheid van de wisselverbintenis doet daartegen ook niet af; al moge de acceptant door het accepteeren in werkelijkheid eenen last op zich nemen, wanneer voor zijne handeling geen redelijke grond is, wanneer hij daardoor niet aan eene werkelijk bestaande verplichting voldoet, dan heeft hij de verplichting en daarmede den last die er uit voortvloeit verdicht.

G. De tweede vorm, waarin volgens no. I van het artikel bankbreuk kan gepleegd worden, is het niet verantwoorden van baten. Art. 5 10 der wet van 10 Mei 1837, Stbl. 21, sprak van het niet verantwoorden van het gebruik van alle ontvangsten. Die uitdrukking is duidelijk en omvat het niet aantoonen dat van de ontvangsten een rechtmatig gebruik is

1) Zie Hooge Raad 1 Juni 189], Wbl. 0044, P. v. J. 1891, no. 87. Anders Simons t. a. p. Iiladz. 71.

-) Hooge Raad 0 April 1903, Wbl. 7910, P. v. J. 1904, no. 368.

Sluiten