Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikelen komen hierin overeen dat er zonder faillissement geen misdrijf is.

In geval van faillissement" in art. 344 slaat gelijk met „ter gelegenheid van het faillissement" in art. 341; beide beteekenen: tijdens het faillissement.

Voor de handelingen vóór het faillissement verricht is er echter onderscheid. Wanneer het geldt onttrekken van goed aan den boedel is voor den schuldenaar geene grens gesteld, terwijl ieder ander gehandeld moet hebben in het vooruitzicht van het faillissement. Nu zal echter wel niemand goed aan zijnen boedel onttrekken wanneer er aan de mogelijkheid van faillissement nog niet gedacht wordt; er bestaat ook eigenlijk eerst een boedel in verband met eene uitgesprokene of dreigende faillietverklaring, maar voor toepassing van art. 341 1° zal nu niet afzonderlijk bewezen behoeven te worden dat er met het oog op een faillissement, alleen dat er ter verkorting van de rechten der schuldeischers gehandeld is.

Voor zooveel aangaat de bevoordeeling van eenen schuldeischer is voor den schuldenaar noodig de wetenschap van de onvermijdelijkheid van het faillissement, terwijl de schuldeischer slechts gehandeld behoeft te hebben in het vooruitzicht van het faillissement. Art. 341 3" werd in dit opzicht op aandrang der Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer gewijzigd; zie aanteekening 10 op dat artikel. I)e Minister van justitie was echter van oordeel dat voor art. 344 do woorden niet tot eene te ruime uitlegging aanleiding konden geven l). Deze meening was juist toen het artikel nog alleen strafbaar stelde het onttrekken van eenig goed aan den boedel; het bezwaar betrof ook niet deze handeling maar de bevoordeeling van eenen schuldeischei.

Er bestaat nu eene belangrijke anomalie vermits de wet strenger behoort te zijn voor den schuldenaar die de verhouding der schuldeischers verbreekt dan voor den schuldeischer die voor zijne handeling toch altijd als verschooning kan aanvoeren dat hij het dreigende verlies niet lijden kon, in elk geval het „jus vigilantibus" aan zijne zijde heeft. In dit opzicht is de wijziging van art. 344 dus onvolledig geweest.

4. Over de mogelijkheid van strafbare poging tot de vóór het faillissement gepleegde feiten zie aanteekening 4 op art. 340.

5. Bij no. 2 wordt strafbaar gesteld het voorwenden van eene niet bestaande schuld of het doen gelden van eene bestaande tot een ver-

i) Smidt III, eerste druk 21, tweede druk 17.

Sluiten