Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten aanzien van den schuldenaar wordt het misdrijf eenigszins anders omschreven: hij is in hetzelfde geval strafbaar wanneer hij zoodanige overeenkomst (als in het eerste lid van het artikel omschreven is) sluit.

Terwijl alzoo voor den schuldeiseher de toetreding tot liet accoord het beslissende moment is voor zooveel aangaat het strafbaar handelen, is voor do strafbaarheid van den schuldenaar het toetreden van den schuldeisclier niet noodig, maar wordt deze reeds bepaald door het sluiten van do overeenkomst. Dit volgt uit de vergelijking van de beide leden van het artikel onderling.

Strafbaar is de schuldeiseher die ten gevolge van eene hem bevoordeelende overeenkomst toetreedt in geval van aanneming van het accoord; en in hetzelfde geval (d. i. van aanneming van het aoooord) de schuldenaar die zoodanige (d. i. den schuldeisclier bevoordeelende) overeenkomst sluit. De woorden „in hetzelfde geval" kunnen niet ook betrekking hebben op het toetreden, daar dit niet genoemd wordt als het geval waarin de handeling strafbaar wordt maar zelf de strafbare handeling uitmaakt').

Do bepaling is zeer streng voor den schuldenaar, maar deze is dan ook in de eerste plaats geroepen tot het bewaren van de goede trouw tegenover zijne schuldeischers in massa; hij wordt ook buiten het hier bedoelde geval eerder dan de schuldeisclier gestraft wegens bevoordeelen (art. 341 3° vergeleken met 344 1°).

3. De toetreding tot het accoord moet het gevolg geweest zijn van de geslotene overeenkomst; alzoo zonder toetreding geen misdrijf van den schuldeiseher, maar ook geen wanneer de toetreding het gevolg is van iets anders dan de overeenkomst.

Daarmede is echter niet gezegd dat de schuldeisclier zich juist tot toetreding verbonden moet hebben. Door het Gerechtshof te Amsterdam -) werd vrijgesproken een schuldeisclier die gedagvaard was ter zake van toetreding ten gevolge van overeenkomst, maar aantoonde dat hij zich niet tot toetreding had verbonden, maar afstand had gedaan van zijn recht tot verzet tegen de homologatie.

Do schuldenaar scheen aan de stem van dezen schuldeisclier geene behoefte te hebben, maar had er belang bij juist hem wegens zijne wetenschap van bijzondere omstandigheden af te houden van openharing daarvan bij verzet tegen de homologatie. Na het sluiten der

') Anders A. J. van Slooten, Opmerkingen over de strafbaarstelling van het sluipakkoord, Academisch proefschrift, Groningen 1887, bladz. 40.

2) Arrest van 1 April 1801, Wbl. 0037, P. v. J. 1801, uo. 27 en 33. NOVON, Het Wetb. r. Stra/r., III, 2e druk. 10

Sluiten