Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'inmeri <»f verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

' , r , "lding van het misdrijf, bij dit artikel strafbaar gesteld, heeft de wetgever het woord verduisteren gebezigd, dat in art. 321 de naam is van een ander misdrijf. Hieruit ontstaat de vraag of voor toepassing van art. 359, en ook in art. 361, noodig is dat de dader het geld of goed zich wederrechtelijk toeëigent dan wel of hier aan verduisteren eene beteekenis gegeven moet worden, overeenkomende met de in art. 361 nevens dit genoemde feiten van vernielen eschadigen, onbruikbaar maken, en alzoo den zin heeft van wegmaken dat ook in het correspondeerende art. 200 wordt gebezigd.

De geschiedenis laat hier den uitlegger in den steek; de Memorie van toelichting geeft geene opheldering omtrent de beteekenis van liet w-oord, en het blijkt niet dat bij de behandeling eenige vraag omtrent die beteekenis is gerezen. Het eenige wat uit de toelichting is af te en is dat verduisteren ook hier geacht wordt slechts gepleegd te kunnen worden ten aanzien van iets dat de dader onder zich heeft, want in art. 361 is, waar het spreekt van toelaten door den ambtenaar

'at f*n ander iets aan het goed verricht, in plaats van verduisteren geste o wegmaken, omdat daaronder ook wegnemen begrepen is- men treft op dit punt hier dus dezelfde tegenstelling aan die bestaat tussehen diefstal en de verduistering van art. 321.

Denzelfden gedachtengang had de Minister van justitie toen hij toegevende aan het verlangen dat ook in art. 359 de zoogenaamde passieve compliciteit (oorspronkelijk daarbij niet voorzien) zou worden strafbaar gesteld, sprak van toelaten dat een ander wegneemt of verduistert, en dit toelichtte door do opmerking dat ook een ander dan do ambtenaar verduisteren kan nl. wanneer hij het geld onder zich heeft, ijv. in geval de ambtenaar eerst het geld aan dien ander ter hand stelt en daarna hem de gelegenheid geeft er mede door te gaan Het heeft er wel den schijn van dat de Minister hier aan wederrechtelijke toeëigening, dus verduistering in de beteekenis van art. 3-1, dacht, omdat luj het geval stelde dat de ander met het geld doorgaat. Intusschen mag hieraan niet te veel waarde gehecht worden • de Minister heeft slechts een voorbeeld genoemd, en daartoe dien' vorm gekozen waaraan wel het eerst gedacht wordt: geld wordt in den regel verduisterd door iemand die het zich wil toeeigenen

/oo do Minister werkelijk bedoeld had hier de passieve compliciteit aan verduistering en diefstal ais misdrijven togen den eigendom strafbaar te stellen, dan had hij toch niet enkel van wegnemen moeten

Sluiten