Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gegevene uitlegging strookt ook met de redactie van art. 363 20.

2. Ambtenaar, zie aanteekening 9 op art. 28—31, en de aanteekeningen op art. 84; gift, belofte, zie aanteekening 3 en 6 op art. 177; doen of nalaten in de bediening aanteekening 10 op art. 177.

3. In eene bij arrest van den Hoogen Raad van 1U April 1893 1) besliste zaak was ter adstructie van een middel van cassatie de eenigszins zonderlinge bewering gevoerd, dat in de dagvaarding behoort te worden uitgedrukt dat de ambtenaar de gift of de belofte moet hebben aangenomen in zijne hoedanigheid van ambtenaar. Terecht besliste de Hooge Raad dat de wet dit niet vordert. Het is ook moeielijk te begrijpen wat zulk aannemen tegenover aannemen buiten de hoedanigheid eigenlijk zou zijn. De ambtenaar die niet de vereischte wetenschap de gift of de belofte aanneemt doet dit altijd in, d. i. in verband met zijne hoedanigheid en in verband met de verrichte of verwachte handelingen.

4. Voor de bijkomende straf zie art. 29.

Artikel 363.

Met gevangenisstral van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die eene gilt of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordl ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iels te doen of na te laten;

2". die eene gift aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening is gedaan of nagelaten.

1. Zie de aanteekeningen op art. 362.

2. Over het misdrijf in art. 363 2" genoemd zie aanteekening 2 en 11 oj) art. 177.

De strafbaarheid van den ambtenaar is ook hier niet gebonden aan de opvatting van hem die de gift doet omtrent het geoorloofde van

1) Wbl. 6333, P. v. J. 1893, no. 38.

Sluiten