Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Hot artikel betreft ook liet weigeren van inzage van de acte waarvan do wet inschrijving vordert.

In den oorspronkelijken tekst werd die acte in dit verband niet genoemd, maar bevatte liet artikel eene tweede bepaling betreffende tiet opzettelijk nalaten van de inschrijving van het bevel of de rechterlijke uitspraak krachtens welke iemand in het gesticht is opgenomen of van de acte waarvan de wet de inschrijving vordert. In de Memode van toelichting werd voor die acte in het bijzonder verwezen naar art. 007 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering; èn uit die verwijzing, èn uit de tegenstelling in de wet zelve gemaakt blijkt alzoo dat met de genoemde acte bedoeld wordt de acte van tenuitvoerlegging van lijfsdwang.

Die acte nu wenschte de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer ook vermeld te zien in het andere deel, (dat nu het artikel in zijn geheel uitmaakt), omdat de exhibitie noodig kan zijn voor vergelijking met het register. De Minister van justitie voldeed aan het verlangen, met dit gevolg dat de directeur of cipier van liet gesticht thans vertoonen moet eene acte die hij niet heeft; zij wordt wel door hem ingeschreven en ten deele overgeschreven maar hij behoudt ze niet l). En waarom — mag men vragen — is dan ook niet geëischt vertooning van de extracten van strafvonnissen waarop is geëxecuteerd, die zij het niet krachtens de wet dan toch op grond van administratief voorschrift in handen van het hoofd van het gesticht blijven.

De positie is thans deze dat de gestichtshoofden stukken die zij wel hebben niet behoeven te vertoonen, maar vertoonen moeten wat zij niet hebben. In verband met de geschiedenis kan aan het woord acte niet eene meer algemeene beteekenis gegeven worden van die uitbreiding dat ook alle vonnissen er onder begrepen zouden zijn.

Overigens zou strikt genomen het gestichtshoofd dat, in plaats van zich op de onmogelijkheid van het vertoonen der acte te beroepen, uit onkunde of om andere reden de dwaasheid had de vordering tot het geven van inzage met eene weigering te beantwoorden, straf1 iaat' zijn.

3. Het hoofd van het gesticht is het feitelijke, dus ook het waarnemende hoofd, er is geene reden om hem die bij vacature of andere ontstentenis van het eigenlijke hoofd het bestuur voert, aan de wettelijke controle en de strafbaarheid wegens de verijdeling daarvan te onttrekken.

4. Voor de bijkomende straf zie art. 29.

1) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1.

Sluiten