Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Openbare instelling van vervoer, en toevertrouwde stukken, zie aanteekening 4 o]> art. 371. De brief behoeft niet aan den schuldigen ambtenaar persoonlijk te zijn toevertrouwd.

2. De bepaling is niet toepasselijk op het inzage nemen van briefkaarten of het bekend maken van haren inhoud; zij werden oorspronkelijk wel genoemd, maar het artikel werd gewijzigd omdat men meende dat haar inhoud geacht moet worden publiek te zijn. Het motief komt mij onjuist vóór; dat oen stuk ongesloten is maakt zijnen inhoud nog niet publiek, al weuscht men den inhoud niet voor de ambtenaren geheim te houden. Het nemen van inzage van briefkaarten is trouwens voorgeschreven.

Een brief is altijd geheim, ook al is hij bij toeval ongesloten aan de post bezorgd of opengegaan.

Een brief die door zijnen omslag heen gelezen kan worden is niettemin gesloten, en ook van zijnen inhoud mag noch kennis genomen noch aan een ander mededeeling gedaan worden. Wat het eerste betreft moet ook het lezen door den omslag heen inzage genoemd worden; de beteekenis van dit woord behoort niet beperkt te worden tot het lezen van eenen brief die eerst uit den omslag genomen of geopend is l).

3. Bekend maken is meer dan mondeling of schriftelijk mededeelen; daaronder behoort ook begrepen te worden het geven van inzage. Wel is waar moet met dit laatste gepaard gaan eeno handeling van hem aan wien het stuk gegeven wordt, het lezen, doch dit levert geen bezwaar op; hetzelfde is noodig bij schriftelijke mededeeling, die toch ook wel als bekendmaking beschouwd zal moeten worden-').

4. Opzettelijk en wederrechtelijk, zie deel I, bladz. 10.

Wetenschap van de omstandigheid dat het stuk is toevertrouwd is

ten gevolge van de plaatsing van het woord opzettelijk niet noodig.

Ofschoon de zinbouw wegens de na het woord „opent" geheel gewijzigde zinswending aanleiding tot twijfel zou kunnen geven of alleen liet openen dan ook het inzage nemen en het bekend maken van den inhoud opzettelijk en wederrechtelijk gedaan moet zijn, komt het mij vóór dat het hier uitgedrukte vereischte op alles wat volgt betrekking heeft. Voor deze lezing pleit de bedoeling waarmede overal

1) Anders Haart do la Faille, Strafbare schending van geheimen, academisch proefschrift, Groningen 1NN4, bladz. 90.

'2j Vg|. opmerking van den hoogleeraal' de Vries, liij Smidt II, eersten druk 88, tweeden druk 90.

Sluiten