Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het woord ,,opzettelijk" zijne plaats is aangewezen, terwijl er daarenboven geene reden kan zijn om voor de strafbaarheid van het openen eenen eisch te stellen die niet zou gelden voor de overige vormen waarin de bepaling overtreden kan worden.

5. Voor de bijkomende straf zie artikel 29.

Artikel 373.

De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer ilie een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toeëigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

1. Openbare instelling van vervoer en daaraan toevertrouwde stukken, zie aanteekening 4 op art. 371; wegmaken, aanteekening 1 op art. 350, en 3 hierna.

2. Alle hier genoemde handelingen zijn wederrechtelijke handelingen; van daar dat de Minister van justitie niet noodig achtte het woord „wederrechtelijk" in het artikel op te nemen. In het bijzonder ten aanzien van de afgifte aan een ander dan den rechthebbende werd er op gewezen dat die niet altijd daardoor bepaald wordt dat een ander dan de geadresseerde het stuk ontvangt; wanneer de afgifte gedaan moet worden aan de justitie, den curator in een faillissement, is deze de rechthebbende.

Buiten liet geval dat een ander afgifte zou kunnen eischen is in de eerste plaats rechthebbende de geadresseerde i). Weigert deze de aanneming of kan het stuk hem om andere reden niet worden uitge-

Art. 24 van het Koninklijk besluit van 28 Juni 1850, Sthl. 34, bepaalde dat de afzender voor de verzending van het postkantoor de stukken kan terugnemen. Deze bepaling schijnt te zijn afgeschaft, zij komt althans voor noch in de wet noch in het Koninklijk besluit van 11 Februari 1892, Stbl. 42, waarbij eerstgemeld besluit is ingetrokken.

Sluiten