Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reikt dan wordt dit zoo mogelijk aan den afzender teruggezonden, en wanneer dit niet kan, gedurende drie maanden ter beschikking van hem of den geadresseerde bewaard. Zoodra niet kan worden uitgereikt zijn dus beide rechthebbenden; een en ander volgens art. 22 der wet van 15 April 1891, Stbl. 87.

3. Bij art. 187 Code pénal werd strafbaar gesteld het terughouden van brieven; bij art. 7 der wet van 7 Maart 1852, Stbl. 48, is dat artikel toepasselijk verklaard op het terughouden van telegrammen. Nu is echter, terwijl men zich hier heeft toegelegd op het specificeeren der onderscheidene vormen van het misdrijf, dit terughouden geheel uit het oog verloren. Het valt immers onder geenen enkelen der hier genoemde vormen. Op het feit zal echter art. 201 toepasselijk zijn voor zoover het betreft stukken in dat artikel genoemd, daar terughouden ook is onttrekken aan de bestemming.

Voor telegrammen (zie aanteekening 5 op art. 374) echter ontbreekt nu eene strafbepaling.

4. Hij die een ingesloten voorwerp wegmaakt of aan een ander dan den rechthebbende afgeeft kan niet gezegd worden het zich toe te eigenen, maar zijne handeling valt onder het wijzigen van den inhoud. Dit behoeft toch niet alleen te bestaan in het verval schen van het geschrevene, al valt dit ook onder het artikel voor zoover art. 225 er niet op toepasselijk is. Hier is niet alleen sprake van brieven of geschrevene stukken, ook van pakketten waarvan de inhoud bestaat in de daarin geslotene voorworpen. Inhoud heeft hier eene natuurlijke en eene overdrachtelijke bet eekenis.

5. Ook hier behoeft blijkens de plaatsing van het woord opzettelijk bij den dader niet de wetenschap te bestaan dat de stukken aan de instelling van vervoer zijn toevertrouwd, al zal die wetenschap bij den ambtenaar der instelling meestal bestaan.

Over opzettelijk en wederrechtelijk zie deel 1, bladz. 10.

6. In de termen van het tweede lid valt als stuk dat geldswaarde heeft in de eerste plaats de postwissel, en wel in het bijzonder liet eigenlijke lichaam er van, met uitzondering van de strook die de vermelding van verzending inhoudt en geene geldswaarde heeft 1).

Dat het stuk of het ingeslotene voorwerp geldswaarde heeft is eene omstandigheid die den dader niet bekend behoeft te zijn: het vereischte is geheel objectief gesteld 2).

'j Gerechtshof 's Hertogenbosch 19 December 1888, Wbl. ötitiö. 2) Rechtbank Amsterdam 9 November 1900, P. v. J. 1901, no. 79.

Sluiten