Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bestemming van liet vaartuig, die nog wel beperkt wordt tot daden in opene zee met uitsluiting van territoriale wateren (zie aanteekening 6 op art. 2) zal dikwijls niet gemakkelijk te bewijzen zijn, vooral omdat bier niet eene uitsluitende bestemming noodig is; liet vaartuig kan tevens bestemd zijn tot handel drijven, evenals liet tevens daartoe gebruikt kan worden; vgl. art. 384.

De verbinding van bestemd zijn en gebruiken geeft ook overigens aanleiding tot weinig beldere uiting van gedachten. Hij die als schipper dienst doet op een vaartuig, dit gebruikende om daden van geweld te plegen zonder daartoe gemachtigd te zijn of tot eene oorlogsmarine te beliooren, is iemand dien men zich voorstellen kan, al wordt het behooren tot eene oorlogsmarine eerder van een vaartuig dan van eenen mensch gezegd. Maar wat een vaartuig is, bestemd om daden van geweld te plegen zonder gemachtigd te zijn, is niet duidelijk: het vaartuig kan noch daden van geweld plegen noch door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd zijn.

2. Dienst nemen, dienst doen, zie aanteekening 2 op art. 275; vaartuig, aanteekening 1 op art. 86; schipper, aanteekening 1 op art. 85; schepeling, aanteekening 3 op art. 85.

3. De schepeling is strafbaar wanneer hij als zoodanig heeft dienst genomen of vrijwillig in dienst is gebleven, een en ander na de wetenschap omtrent de bestemming of het gebruik van het vaartuig verkregen te hebben. Onder bestemming en gebruik moeten hier verstaan worden de zoodanige die niet gerechtvaardigd zijn door verkregene machtiging of het behooren tot eene oorlogsmarine 1).

4. Terwijl in het eerste lid is omschreven waardoor iemand zeeroover is, onderscheiden van den houder der machtiging van eene oorlogvoerende mogendheid, worden in het tweede lid strafrechtelijk gesanctioneerd de volkenrechtelijke regelen naar welke een kaper een zeerover wordt; vgl. art. 388.

Intusschen is niet uitdrukkelijk voorzien in het geval dat de machtiging der oorlogvoerende mogendheid de bevoegdheid van deze te buiten gaat. Stel dat de machtiging niet uitdrukkelijk beperkt is tot het nemen van vaartuigen van den vijand, kan dan de kaper gezegd worden de machtiging te hebben overschreden, wanneer hij een neutiaal schip neemt? Mij dunkt: neen. Men kan wel zeggen dat eene zoo onbeperkte machtiging volkenrechtelijk geen kaperbrief is, en de

1) Zie aanteekening 3 op art. 85.

Sluiten