Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar soms successievelijk wordt aangeworven. Bij den schipper zou van aanvang der monstering niet gesproken kunnen worden; eene verbintenis komt toch niet door zeker tijdsverloop of door eene reeks handelingen, maar op een bepaald oogenblik tot stand zoodat voor een enkel individu van aanvang en einde niet de rede kan zijn gelijk bij het scheepsvolk, welks monstering aanvangt bij den eerst aangemonsterde en eindigt bij den laatste.

Nu is wel niet duidelijk waarom men het tijdstip van aanvang der monsteiing voor den schipper bindend heeft geacht, terwijl uit de bepaling volgt dat hij zich vóór dat tijdstip straffeloos aan zijne verplichtingen kan onttrekken, doch dit kan geene verandering brengen in de beteekenis van het artikel, nu eenmaal monstering van den schipper iets onbestaanbaars is.

Op zeevisschersvaartuigen, waarvoor de monstering niet is voorgeschreven, wordt zij echter mogelijk geacht, en waar zij gedaan wordt schijnt zij eene andere beteekenis te hebben dan voor koopvaardijschepen; daarvoor wordt toch veelal de schipper ook aangemonsterd; terwijl de koopvaardijmatroos zich verbindt tegenover den schipper verbindt zich de zeevisscher (schipper en schepeling) tegenover den reeder. Vermits nu wel eerst de schipper aangemonsterd zal worden, valt voor 110. 2 van het artikel de aanvang der monstering met zijne monstering samen.

Voor den schipper van een zeevisschersvaartnig was aanvankelijk het tijdvak anders bepaald, en wel door de woorden „gedurende de reis." Het ontwerp had, zonder een bepaald aanvangspunt te noemen. „vóór het einde zijner verbintenis"; maar men was in de Tweede Kamer huiverig de strafbepalingen op desertie van zeevisschers verder uit te breiden dan strikt noodzakelijk was gebleken. De Minister van justitie gaf aan de bedenkingen toe en veranderde in dit artikel de omschrijving van het tijdvak, terwijl hij in art. 391 en 393 schrapte hetgeen thans weder no. 2 van die artikelen uitmaakt, een en ander onder voorbehoud van principieele regeling wanneer het inmiddels ingediende ontwerp van wet op de desertie van zeevisschers, dat de gewraakte bepalingen ook inhield, in behandeling zou komen. Bij die behandeling won de Minister zijn pleit voor uitgebreide strafbepalingen, en toen het Wetboek van strafrecht zou worden ingevoerd, werden de onderscheidene bepalingen bij de novelle hersteld in den geest van het oorspronkelijke ontwerp door overneming uit de speciale wet, met bijvoeging van „na den aanvang der monstering" wat er vroeger niet in gestaan had.

Uit een en ander volgt dat de schipper van een zeevisschersvaartuig waarvoor niet gemonsterd is niet in de termen van art. 390 valt, eene anomalie ook wegens de bepalingen van art. 391 en volgende,

Sluiten