Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij niet de monstering de voorwaarde is, maar do verbintenis, hoe ook tot stand gekomen.

In geval nu de schipper is aangenomen voor meer reizen of voor eenen bepaalden tijd, voldoen de woorden „na den aanvang der monstering" niet volkomen aan liet begrip van aanvang der verbintenis, daar voor elke reis toch meestal, althans op zeeschepen, op nieuw gemonsterd wordt; de beteekenis is dus: na den aanvang der eerste monstering. Bij den aanvang van elke nieuwe monstering ontstaat toch geene nieuwe verbintenis voor den schipper, daar het einde zijner verbintenis nog niet aangebroken is.

3. Wanneer de schipper vervangen moet worden is de bepaling ook toepasselijk op den vervanger; echter zal voor dezen slechts kunnen gelden het einde zijner eigene verbintenis, niet van die des schippers.

4. Nederlandsch schip, zie aanteekening 2 op art. 86. Vat een zeevisschersvaartuig is in tegenstelling met een schip zegt het wetboek niet uitdrukkelijk. Uit de verwijzing van art. 86 naar de wet op de zeebrieven volgt echter dat een vaartuig, dat de zee bevaart buiten de tonnen en niet uitsluitend tot vischvangst of schelpvisscherij of tot het vervoeren van visch of schelpen gebezigd wordt, is een schip, terwijl overigens elk vaartuig tot de zeevisscherij gebezigd een zeevisschersvaartuig is, alzoo ook, voor zoover zij niet de zee buiten de tonnen bevaren, die welke tijdelijk voor de visscherij gebezigd worden. Ter bepaling van het begrip zeevisschersvaartuig mogen immers niet alleen de bepalingen der wet op de zeebrieven in aanmerking worden genomen met dat gevolg dat enkel het in art. 2a genoemde vaartuig als zoodanig te beschouwen is, maar moet ook gelet worden op de wet van 21 Juni 1881, Stbl. 76, houdende bepalingen omtrent de zeevisscherijen, uit welker art. 2 volgt dat behoudens evengemelde bepaling der wet op de zeebrieven de schepen, schuiten of booten, in Nederland tehuis behoorende en tijdelijk of voortdurend de zeevisscherij, van welken aard ook, hetzij buiten of in de zeegaten. hetzij in de Zuiderzee uitoefenende, zeevisschersvaartuigen zijn.

5. Opzettelijk en wederrechtelijk, zie deel I, bladz. lu. Hier is alleen sprake van het recht van den eigenaar of reeder dat door den schipper geschonden wordt, niet van dat van de bemanning, al kan de schipper gezegd worden zich ook tegenover haar, die zich aan zijne zorg toevertrouwde, tot het voeren van het schip verbonden te hebben. De schipper-eigenaar kan dus het misdrijf niet plegen. Dat de rechten der bemanning hier niet in aanmerking komen volgt daaruit

Sluiten