Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toebrengt, niet, hij wiens medewerking niet noodig is wel strafbaar zou zijn. En de woorden der wet eischen geene andere oplossing. Er is geene sprake van medemaken, maar van niet medemakeu, wat in beteekenis niet verschilt van niet maken. Wanneer eene reis niet gemaakt wordt kan iemand toch niet gezegd worden ze mede te maken; hij maakt dus niet mede.

Bij de zeevisseherij wordt meestal, en bij de kleinere koopvaart meermalen, eene verbintenis aangegaan voor eenige reizen te gelijk. biiv. zoovele als in eene bepaalde tijdsruimte gemaakt zullen worden. Deze omstandigheid gaf bij de behandeling in de Tweede Kamer van de wet van 28 Juni 1881, Stbl. 98, houdende strafbepalingen tot beteugeling van desertie van zeevisschers, den heer van de Werk aanleiding tot het stellen van de vraag of iemand die zich voor eenige reizen verbonden heeft en reeds de tweede niet medemaakt, slechts eenmaal vervolgbaar is wegens desertie dan of hij naar aanleiding van elke volgende reis die hij niet medemaakt op nieuw vervolgd kan worden i).

De Minister van justitie gaf op deze vraag een antwoord dat er niet op terugsloeg en daarenboven onjuist was. Volgens hem zou de vraag hare beantwoording vinden in de bepalingen der destijds nog geldende artikelen 207 tweede lid en 208 Wetboek van strafvordering en in het gezond verstand van den ambtenaar van het openbaar ministerie die, vermits deze artikelen bepalen dat slechts éene straf zal worden opgelegd, zeker niet noodeloos tot verkrijging' van éene straf meermalen zou vervolgen. Onjuist is dit antwoord omdat art. 207 alleen zag op het geval van gelijktijdige berechting van onderscheidene misdrijven, terwijl hier juist de onderstelling was dat achtereenvolgens wegens elke reis afzonderlijk vervolgd werd, voor welk geval art. 208 alleen voorschreef dat het zwaarste maximum niet overschreden mocht worden, een voorschrift dat in beginsel teruggevonden wordt in art. 63 van het Wetboek van strafrecht.

De quaestie ligt dieper, en werd dieper gesteld dan de Minister scheen in te zien. Het was niet de vraag of het wenschelijk zou zijn dat het openbaar ministerie telkens weder vervolgt, maar of het daartoe de bevoegdheid heeft. Deze vraag werd door den heer van de Werk zeiven ontkennend beantwoord op grond dat desertie contractbreuk is, en een eenmaal verbroken contract niet op nieuw verbroken kan worden. Mij komt dit niet juist vóór; men moet de desertie niet in de eerste plaats uit liet oogpunt van het burgerlijk recht maar als misdrijf beschouwen. Nu wordt strafbaar gesteld hij die eene reis

!) Smii.lt III, eerste druk 123, tweede druk 122.

Sluiten