Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger trouwens in zijn geheel teruggenomen, niet enkel voor zoover liet zeevisschersvaartuigen betreft.

2. Schepeling kan hier in gelijken zin worden opgevat als bij art. 381 (zie aanteekening 3 aldaar) zoodat het in dienst nemen van eenen schepeling is het in dienst nemen van iemand opdat hij schepeling worde.

3. De reeder, boekhouder, schipper moet weten dat degene dien hij in dienst neemt zich aan zijne verbintenissen onttrokken heeft op de wijze in een der artt. 391—393 omschreven. In het ontwerp werd in de plaats van deze bepaling van den omvang der wetenschap gelezen: dat deze is gedeserteerd. Daarbij was dus noodig bekendheid met het bestaan van het misdrijf van desertie. Zonder dat blijkt waarom, werd in het ontwerp van wet tot beteugeling van desertie van zeevisschers de ook thans gekozene redactie gebezigd.

Gelukkig schijnt die verandering niet, zij maakt de bepaling omslachtiger dan die oorspronkelijk was, en geeft aanleiding tot de vraag wat wel de wijze is in een der artt. 391—393 omschreven.

Het woord wijze zou doen denken dat hier alleen gedacht is aan het feit zonder de elementen van opzet en wederrechtelijkheid die het tot misdrijf stempelen; het opzet bij de onttrekking bepaalt toch niet de wijze van onttrekken.

Echter zal hier wetenschap omtrent het bestaan van misdrijf noodig zijn. De bedoeling was te keeren de praktijken van hen die, door schepelingen gemakkelijk aan te nemen wanneer zij elders gedeserteerd zijn of zelfs door hen met het vooruitzicht op aanneming tot desertie aan te sporen, in hooge mate de desertie bevorderen. Dit doel zou worden voorbijgestreefd indien het artikel ook toepasselijk was op het in dienst nemen van personen die te recht hunne verbintenis niet zijn nagekomen; liet gaat niet aan strafbaar te stellen de indienstneming van personen die niet door eenige andere verbintenis gebonden zijn.

4. De omschrijving van het misdrijf is zoo algemeen dat het feit niet alleen strafbaar is bij gelijksoortigheid van vaartuigen: indienstneming op een schip is strafbaar zoowel wanneer zij den deserteur van een zeevisschersvaartuig als dien van een schip betreft, evenzoo op een zeevisschersvaartuig.

5. De bepaling van het tweede lid betreft alleen den schipper, den eenige voor wien het feit, buitenslands gepleegd, ingevolge art. 7 strafbaar kan zijn.

NOYON, Het Wetb. r. Strafr., III, 2e druk. 21

Sluiten