is toegevoegd aan je favorieten.

Het Wetboek van strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoelde resultaat kunnen leiden. De Memorie van toelichting noemt als zoodanig blokkadebreking, invoer van oorlogscontrabande, smokkelhandel, inbreuk op quarantainemaatregelen of op buiten landsche havenreglementen.

2. Hier wordt de vervulling van twee voorwaarden voor de strafbaarheid gevorderd: niet alleen moet buiten noodzaak gehandeld zijn, daarenboven door den schipper buiten voorkennis van den eigenaar of de reederij, door den opvarende buiten voorkennis van den schipper; voorkennis van eigenaar of reederij zal dezen laatste niet van veroordeeling kunnen ontheffen.

Voorkennis is de wetenschap dat iets zal gebeuren, verbonden met de goedkeuring althans het niet tegengaan daarvan, (vgl. aanteekening 10 op art. 138). Daaronder valt ook het gedoogen, dat alleen kan zijn het toelaten van iets dat men weet dat gebeurt en dat men verhinderen kan. Bij gedoogen door den schipper is dus de opvarende straffeloos.

Buiten noodzaak, zie aanteekening 14 op art. 40.

3. Opvarende zie aanteekening 2 op art. 85; Nederlandsch vaartuig, aanteekening 2 op art. 86.

Artikel 406.

De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft datgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1. Waartoe de schipper verplicht is wordt bepaald, wat de schepelingen betreft door de monsterrol (art. 397 8" Wetboek van koophandel) voor de overige opvarenden door het passagecontract, zoo dit bepalingen daaromtrent inhoudt die den regel van art. 530 van dat wetboek te niet doen, en overigens door het tweede lid van dat artikel.

2. De bepaling van art. 406 is, zooals de Memorie van toelichting zegt, eene uitbreiding van art. 22 der Tuchtwet en van de niet door voldoende strafbedreiging gesterkte artikelen 23 en 24 dier wet; zij laat echter de disciplinaire vervolging bij die wet voorgeschreven onverlet.

De strafbepaling van art. 22 is hiermede vervallen. Dit artikel, het misdrijf behandelende voor zoover het in onthouding van voeding aan