Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het scheepsvolk bestaat, stelde de vervolging afhankelijk van eene klacht. De vraag is of nu ook het vereischte van klacht is opgeheven. Het artikel is niet uitdrukkelijk in zijn geheel vervallen verklaard, alleen is er op van toepassing art. 10 der Invoeringswet, waaruit volgt dat de strafbepaling is vervallen. Het vereischte van klacht nu is op zich zelf noch eene strafbepaling noch eene bepaling omtrent een der onderwerpen in de eerste acht titels van het Eerste boek van liet wetboek behandeld. Het is dus door de bepalingen der Invoeringswet niet vervallen, al is er eene zonderlinge inconsequentie in gelegen dat het alleen voor éen der vormen van het misdrijf is gehandhaafd.

Hetzelfde geldt van de opschorting der vervolging tot na den afloop der reis, eveneens bij art. 22 voorgeschreven.

De wijziging van art. 28 der Tuchtwet bij art. 16 der Invoeringswet, ten gevolge waarvan niet meer art. 22, maar daarvoor in de plaats art. 406 van het wetboek bij aanmonstering aan de schepelingen moet worden voorgelezen, is niet geheel in overeenstemming inet liet afschaffingstelsel dier Invoeringswet.

3. Opzettelijk buiten noodzaak, zie aanteekening 14 op art. 40.

4. Opvarenden, zie aanteekening 2 op art. 85; Nederlandse-li schip, zie aanteekening 2 op art. 86.

Artikel 407.

De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk huiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1. Opzettelijk buiten noodzaak, zie aanteekening 14 op art. 40. Of in strijd met eenig wettelijk voorschrift is gehandeld moet in het bijzonder naar art. 368 Wetboek van koophandel beoordeeld worden. De schipper werpt in strijd met zoodanig voorschrift wanneer hij de beraadslaging met de voornaamsten van het scheepsvolk, waartoe hij verplicht is, verzuimt, doch niet wanneer hij nalaat deze in geschrift te brengen; dit behoeft toch niet aan de werping vooraf te gaan en kan het geoorloofde der werping dus niet bepalen.

De schipper moet ook opzettelijk in strijd met een wettelijk voorschrift gehandeld hebben.

2. Nederlandsch schip, zie aanteekening 2 op art. 86.

Sluiten