Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dader \an het misdrijf of diens gemachtigde, en uitgesloten is liet betrekken van eenen bezitter te goeder trouw. Verbergen kan iemand ook hetgeen hij zelf verkregen heeft, doch uit winstbejag verbeigen laat zich ook hier nauwelijks denken, daar de verberger reeds in het bezit van het voorwerp is en hij het dus verbergt alleen oni het te behouden of zich straffeloosheid te verzekeren.

Voorts onderstelt heling een voltooid misdrijf l); strekt het verbergen (met de overige vormen kan het geval zich niet voordoen) eenvoudig tot voltooiing van het misdrijf, dan kan er niet anders dan daderschap of medeplichtigheid zijn.

Dat de heling vooraf is toegezegd ontneemt echter niets aan haar karakter van zelfstandig misdrijf; de belofte kan op zich zelve uitlokking zijn, maai' in het nakomen van de belofte ligt de heling.

Ook is het onverschillig of de heler zijn bedrijf dienstbaar maakt aan het plegen van een nieuw misdrijf. Wanneer iemand een valsch stuk heeft vervaardigd met het oogmerk en onder de verdere omstandigheden die het feit strafbaar maken, en hij verkoopt het aan een ander die er gebruik van wil maken, dan is het koopen heling die een zelfstandig bestaan behoudt naast het daarop volgende misdrijf, al kan zij tevens als begin van uitvoering van het voornemen tot dat misdrijf beschouwd worden 2).

4. Aan het hoofd der omschrijving van het misdrijf staat het woord opzettelijk, dat aangezien het voor de bepaling van koopen, inruilen, enz. geene beteekenis heeft, bijzonder slaat op liet door misdrijf verkiegene voorwerp en dus uitdrukt het vereischte van wetenschap omtrent de herkomst3). Die wetenschap behoeft zich echter niet uit te strekken tot de voorstelling van den aard van het misdrijf: het is

) In het vonnis moet rekenschap gegeven worden van <le redenen waarom aangenomen wordt dat het misdrijf aan de heling voorafging; Hooge Raad '1 Oetober 1901, Wbl. 7663, P. v. J. 1901, no. 89.

2) Anders Polenaar en Heemskerk, aanteekening 11. Al wil men met hen aannemen dat het geheele bedrijf van den kooper eene voortgezette handeling is, dan nog is er geene reden het zelfstandig bestaan van de heling te ontkennen. Wat de wet voortgezette handeling noemt is toeh altijd eene opeenvolging van feiten die elk op zich zelf strafbaar zijn.

») Hooge Raad 28 November 1898, Wbl. 7207, P. v. J. 1899, no. (i.

Voor weten mag niet begrijpen en moeten begrijpen in de plaats worden gesteld; Hooge Raad 30 Juni 1902, Wbl. 7804, P. v. J. 1902, no. 177; vgl. ook Wbl. <80i. Het begrijpen en moeten begrijpen komt mij voor onder voorwaardelijk opzet te vallen; zie daarover deel I, bladz. 4, aanteekening 3. Anders Gerechtshof Arnhem 8 September 1904, Wbl. 8120, P. v. J. 1904, no. 376

Sluiten