Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als medeplichtige gestraft worden indien hij door de omstandigheden, waaronder zijne daad van uitgeven of drukken is verricht, toont zich aan het misdrijf te hebben willen associeeren. Is die misdadige wil niet aanwezig dan is hij niettemin strafbaar volgens art. 418 en 419 wanneer ook nu de voorwaarden voor straffeloosheid (hier echter eenigzins gewijzigd) niet vervuld zijn. Hij is dan strafbaar wegens het enkele uitgeven of drukken van een geschrift of eene afbeelding van strafbaren aard; zie aanteekening 2—4 op art. 53.

Ofschoon de woorden verschillen van die van art. 53 en 54, heeft men toch ook hier te doen met strafbare feiten door middel van de drukpers gepleegd. Het geschrift of de afbeelding moet van dien aard zijn dat het gemeen maken door den druk en de uitgave of de verspreiding een strafbaar feit oplevert; zie aanteekening 7 op art. 53!).

Vergelijking van art. 418 en 419 met 53 en 54 leidt tot de gevolgtrekking dat de uitgever of drukker dien zijne handeling tot medeplichtige maakt gestraft wordt met ten hoogste twee derden van het maximum der op het hoofdmisdrijf gestelde straf, terwijl hij volgens art. 418 en 419 soms lichter (wat rationeel is) maar soms ook zwaarder gestraft kan worden dan wanneer hij daarenboven nog medeplichtige was, bijv. bij smaadschrift: bij medeplichtigheid maximum van twee derden van een jaar, zonder medeplichtigheid maximum van een jaar.

In de tweede plaats volgt uit die vergelijking dat zoo het strafbare feit eene overtreding is de toepasselijkheid van art. 53 en 54 altijd uitgesloten is en vervangen wordt door die van art. 418 en 419.

De bepalingen van deze artikelen hebben dus inbreuk gemaakt op de strafposities van het wetboek. Zij hebben tevens het geheele stelsel van art. 53 en 54 voor zooveel het uitgeven van geschriften betreft omvergeworpen, daar de uitgever of de drukker onder ongeveer dezelfde voorwaarden toch vervolgd kan worden, al is het dan niet wegens deelneming maar wegens zelfstandig gepleegd misdrijf; zie aanteekening 4 op art. 53 en 54.

2. Hier is sprake van niet meer dan uitgeven of drukken van een geschrift of eene afbeelding van strafbaren aard; wetenschap omtrent dien aard van het geschrift wordt voor de strafbaarheid van den uitgever of den drukker niet gevorderd.

3. Ofschoon in hoofdzaak hier gelijke vereischten van strafbaarheid zijn gesteld als bij art. 53 en 54 (zie de aanteekeningen 9, 10, 12

1) Den aard van het geschrift betreft niet het feit dat door de uitgave eens anders auteursrecht geschonden wordt, daarbij is alleen de inhoud betrokken; Hooge Kaad 29 April 1895, Wbl. (>047, I'. v. J. 1895, no. 40.

Sluiten