Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en 13 op die artikelen) levert het verschil ten aanzien van het standpunt door den wetgever tegenover liet misdrijf ingenomen en de daarmede samenhangende redactie der heide bepalingen ook voor die vereischten eenig verschil op.

Art. 53 en 54 bepalen dat de uitgever of de drukker als zoodanig niet als deelnemer vervolgd wordt indien de dader of de lastgever ie-end is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang genoemd wordt, en dat deze bepaling niet toepasselijk is wanneer de dader of de lastgever op het tijdstip der uitgave jiiet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was. Daarbij is ondersteld «lat de uitgever of de drukker een strafbaar feit (misdrijf) heeft gepleegd

Hier daarentegen bestaat het strafbare feit eerst wanneer of de niet bekende dader of lastgever niet bekend gemaakt wordt, óf zoo hij wel bekend of bekend gemaakt is ,1e uitgever of de drukker wist of moest verwachten dat hij „iet vervolgbaar of buitenslands gevestigd zou zijn. Hie, is dus element van het strafbare feit datgene waarvan e tegendeel ginds bij het bestaan van misdrijf de vervolgbaarheid uitsluit; het moet «lus zijn te last gelegd, wat bij vervolging wegens medeplichtigheid niet noodig is, omdat daarbij de bekendmaking alsnog met-ontvankelijkheid in de vervolging medebrengt.

Wanneer nu rechtsingang noodig is opdat den uitgever of den drukker de gelegenheid gegeven zal worden den dader, resp. den lastgever te noemen, stuit men op het bezwaar dat een element van misdrijf, het niet bekend maken, nog ontbreekt.

ar.D® die in dien zia besliste, overwoog echter dat uit

art. 83 Wetboek van strafvordering niet volgt dat rechtsingang geweigerd behoef te worden alleen op grond dat nog niet gebleken i.s van een bestanddeel van het misdrijf, waarvan uit hoofde van de bijzondere bepalingen van art. 418 en 419 eerst na den rechtsingang blijken kan i).

Daargelaten of de judex facti onder deze omstandigheden tot het verleenen van rechtsingang te bewegen zou zijn, is m. i. het uitgangspunt der redeneering onjuist. Er is toch niet slechts niet gebleken van het bestaan van een element des misdryfs, maar er is gebleken lat het met bestaat, immers het misdrijf is nog niet voltooid: eerst iet nalaten van bekendmaking is voltooiing, en nu kan toch in geen gexal rechtsingang verleend worden wegens een misdrijf dat onvoltooid

en c us nog met gepleegd is. Men zal dus nimmer tot de noodzakelijke instructie kunnen geraken.

De bepaling had in dezen geest gesteld moeten zijn dat de uitgever

d,'"kker Strafbaar is in,lien de dader of de lastgever niet bekend

Hooge Raad 3 Juni 1889, Wbl. 5729, I'. v. J. 1889, no. 78.

Sluiten