Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 421—423.

Mijne slotsom is dat de wooiden der wet niet toelaten dat iemand die terechtstaat wegens mishandeling van vader, moeder, echtgenoot of kind, van eenen ambtenaar of gepleegd door toediening van schadelijke stoffen gestraft wordt met meer dan de straf berekend volgens art. 304, al had hij binnen vijf jaar eene gevangenisstraf ondergaan, hem krachtens eene der bij art. 422 genoemde bepalingen opgelegd.

Daarmede is echter nog niet gezegd dat hij die terechtstaat wegens een in art. 422 genoemd misdrijf, niet blootstaat aan strafverhooging wanneer hij vroeger krachtens art. 304 veroordeeld is geweest, m.a.w. dat de in dit artikel genoemde mishandelingen andere misdrijven zijn dan mishandeling in het algemeen, en dus niet in art. 300 zijn omschreven.

Een scherp geformuleerd stelsel van beantwoording der vraag of de wet een misdrijf onder verzwarende omstandigheden rekent een ander te zijn dan dat waarbij die omstandigheden niet voorkomen is uit hare woorden moeielijk af te leiden.

Aan de eene zijde heeft men bepalingeu als die van art. 251, dat van de misdrijven van art. 241—250 sprekende daaronder begrijpt die van art. 248, ofschoon daar slechts sprake is van de misdrijven der voorafgaande artikelen met de verzwarende omstandigheid \an zwaar lichamelijk letsel of dood. Art. 286 onderscheidt het misdiijf van art. 285 tweede lid van dat van het eerste lid, art. 380 dat van art. 373 eerste lid van dat van art. 373 tweede lid. Terwijl art. 260 als afzonderlijke misdrijven beschouwt de feiten van art. 257 en 258. wordt daarentegen in 258 gezegd dat zoo de schuldige aan het misdrijf van art. 256 de vader of de moeder is, ook de straf van art. 257 met een derde wordt verhoogd, zoodat hier weder het misdrijf van art. 257 niet als een afzonderlijk misdrijf wordt beschouwd maar als dat van 256 in gewijzigden vorm.

Art. 305 beschouwt 304 niet als behandelende afzonderlijke misdrijven; men mag toch niet aannemen dat de ontzetting van rechten niet in het geval van art. 304 kan worden uitgesproken. Zóo spreekt ook art. 313 van diefstal, maar kan daarmede niet slechts den eenvoudigen diefstal van art. 310, moet ook de misdrijven van art. 311 en 312

toepasselijk is; hij heeft niet naar willekeur al of niet te letten op de verzwarende omstandigheid maar is daarbij gebonden aan de dagvaarding en moet naar haar in zijn vonnis het strafbare feit uitdrukken met alle omstandigheden die volgens de wet tot verzwaring (of verlichting) van straf aanleiding geven, art. 221

Wetboek van strafvordering.

Deze schrijver stelt het ten onrechte vóór als of in geval van herhaling eene zwaardere straf wordt opgelegd; daartoe bestaat alleen de betrekkelijk zelden in de praktijk gebruikte bevoegdheid; praktisch komt het geheele geschilpunt meestal neêr op eene vraag van qualificatie.

Sluiten