Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar is; behoorlijke verlichting moet dus aangebracht zijn wanneer het daglicht voor de onderkenning niet meer of nog niet voldoende is.

Gebruikelijke teekenen zijn die welke ter plaatse gebruikelijk zijn, hetzij al of niet bij verordening voorgeschreven. Wanneer het stellen van bepaalde teekenen plaatselijk noch voorgeschreven noch gebruikelijk is, bestaat geene overtreding.

4. Ten aanzien van no. 3 heeft de Hooge Raad beslist dat niet elke verrichting op of aan den openbaren weg de verplichting tot waarschuwing voor mogelijk gevaar medebrengt l). Het woord verrichting is ook blijkens de geschiedenis der bepaling, die in meer algemeene termen omschrijft wat in het ontwerp van 1847 werd gespecialiseerd, alleen van zoodanige handelingen en werkzaamheden te verstaan die vallen buiten liet gewone gebruik van den weg, zoodat de voorbijgangers niet geacht kunnen worden daartegen op hunne hoede te zijn; daaronder valt niet het rijden langs den weg.

Ook uit het gebruik van het woord voorbijgangers mag hetzelfde worden afgeleid. Degenen die langs den weg loopen kunnen niet voorbijgangers genoemd worden met betrekking tot allen die zich, op welke wijze ook, met hen langs den weg bewegen; het woord wordt gebezigd met betrekking tot vaste punten. De verrichtingen kunnen dus in geen geval andere zijn dan die welke op een bepaald punt gedaan worden, en alzoo niet samenhangen met het gebruik van den weg als weg, als communicatiemiddel.

De verrichting moet voorts eene zoodanige zijn waardoor gevaar kan ontstaan; eene gevaarlooze verrichting eischt geene maatregelen.

Aan den openbaren weg, zie aanteekening 5 op art. 424.

5. Het plaatsen van iets op of aan een gebouw of werpen of uitgieten van iets uit een gebouw is naar no. 4 strafbaar wanneer door of ten gevolge van de wijze waarop het geschiedt nadeel voor hen die van den openbaren weg gebruik maken ondervonden kan worden. Het gebouw behoeft dus niet (zooals volgens het correspondeerende art. 513 van het ontwerp der Staatscommissie) aan den openbaren weg te staan, het nadeel moet alleen op dien weg ondervonden kunnen worden. Niet het plaatsen, werpen of uitgieten op zich zelf is strafbaar. Het plaatsen van eene ladder tegen een huis, ofschoon het nadeel kan veroorzaken voor hem die er tegen aanloopt, is geene overtreding, want ieder kan het voorwerp zien en ontwijken, maar

1) Arrest van 6 Maart 1893, Wbl. 6315, P. v. J. 1893, no. 30.

Sluiten