Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het plaatsen zóo dat zij onvoldoenden steun heeft en daardoor elk oogenblik dreigt te vallen zal strafbaarheid medebrengen 1).

Overigens wordt omtrent de wijze geen onderscheid gemaakt; in het bijzonder met betrekking tot werpen en gieten verwierp de Hooge Raad elke onderscheiding naar de plaats van waar of het voorwerp waaruit gegoten of geworpen wordt, en verklaarde strafbaar ook liet wateren uit een venster 2).

Opzet is voor deze overtreding niet noodig; dit beginsel is door den Hoogen Raad toegepast op het geval dat iemand uit een venster braakte, waarbij niet was gebleken dat hij zich niet van het venster had kunnen en willen terugtrekken 3).

Onder nadeel kan hier zoowel nadeel voor goed als voor de persoon verstaan worden ±).

Het is niet noodig dat een bepaalde voorbijganger direct gevaar loopt. Het uitwerpen van eenig voorwerp, zwaar genoeg om aan iemand dien het treft nadeel te berokkenen, is strafbaar ook al loopt in concreto niemand door de handeling gevaar. „Iemand die van den openbaren weg gebruik maakt" is niet iemand terwijl, maar iemand indien hij van den openbaren weg gebruik maakt.

6. Strafbaar naar no. 5 is hij die op den openbaren weg een der hier bedoelde dieren laat staan. Alleen naar de woorden gerekend zou strafbaar zijn hij die een door hem op den openbaren weg aangetroffen dier niet verwijdert of bewaakt; ook hij toch laat het staan zonder de noodige voorzorgsmaatregelen te hebben genomen. Maar hem kan geene schuld geweten worden omdat op hem geene verplichting rust. Ook hier is slechts strafbaar het verzuim in het nakomen van wat de wet door de strafbepaling indirect voorschrijft, en zij kan niet

•) Vgl. Kantongerecht 's Hertogenbosch 14 December 1887, Tijdschrift voor strafrecht II, blad/,. 484.

2) Arrest van 18 Februari 1895, Wbl. 6625, 1'. v. J. 1895, no. 30.

3) Arrest van dezelfde dagteekening als het vorige en terzelfde plaatse medegedeeld.

4) Vgl. aanteekening 4 op art. 424. Polenaar en Heemskerk, aanteekening 5, doen hunne uitspraak dat nadeel, in het algemeen vermogensnadeel, hier uitsluitend nadeel aan leven of lijf moet zijn, steunen op de beweerde ongerijmdheid dat de wet, beschadiging en vernieling door schuld niet strafbaar stellende, wel als overtreder zou beschouwen hem die bijna nadeel veroorzaakt. De tegenstelling is onjuist; ten eerste is hier sprake van de algemeene veiligheid, en houdt de overtreding dus verband met de gemeen gevaar opleverende misdrijven; ten tweede is hij die werkelijk nadeel berokkent strafbaar volgens dit artikel, al stellen de gevolgen op zich zelve hem slechts aan eene civiele actie bloot.

Sluiten