Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkeer, dat in art. 162 en 163 niet is opgenomen; het is als beraoeielijken van het verkeer minder dan het versperren, dat liet verkeer of eene bepaalde wijze van verkeer belet.

Welk gezag het bevoegde is hangt van omstandigheden af. In vele opzichten zal het volgens art. 179A der Gemeentewet gevormd worden door burgemeester en wethouders, altijd echter behoudens andere bepalingen, wat daar is uitgedrukt in de reserve: voor zooveel van hen afhangt l). Zoo zullen bepalingen omtrent het gesloten honden van tollen op andere dan gemeentelijke wegen niet door burgemeester en wethouders kunnen worden ter zijde gesteld.

Artikel 428.

Hij die, zonder verlof van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed in brand steekl, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

1. Wanneer noch de omstandigheden van art. 157, noch die van art. 328 aanwezig zijn, is het in brand steken van eigen roerend goed geheel vrij, maar hangt de vrijheid tot dat van eigen onroerend goed af van het verlof van den burgemeester of van den door dezen aangewezenen ambtenaar.

De bepaling is ook overigens eenigszins anders dan die van de genoemde artikelen. Terwijl in art. 157 gesproken wordt van brand stichten in het algemeen zonder onderscheidingen naar hetgeen in brand gestoken wordt, en in art. 328 van brand stichten in goed, leest men hier van het in brand steken van onroerend goed. Is dit aanwezig wanneer iemand eenen hoop stroo in zijn huis aansteekt'? Het zal afhangen van den omvang van zijn opzet. Dat opzet noodig is blijkt uit de woorden: in brand steken is iets anders dan brand veroorzaken. Wanneer iemand nu het stroo in brand steekt om zijn huis te doen branden, dan steekt hij het huis in brand of poogt dat te doen; is de brand van het huis het niet bedoelde gevolg, dan is het huis niet in brand gestoken.

2. Het artikel is toepasselijk op het in brand steken van elk onroerend goed, alzoo ook op het zoogenaamde veen- of heide-branden, waarbij het wel het meest toepassing vinden zal.

!) Hooge Raad 1 Juni 1896, Wbl. 6818, P. v. J. 1896, no. 57.

Sluiten