Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 432.

Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen wordt gestraft: 1°. als schuldig a;ui bedelarij, hij die in het openbaar bedelt;

:2°. als schuldig aan landlooperij , hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft.

1. Bij de onderscheidene wisselingen die de bepaling van het begrip der strafbare bedelarij bij de voorbereiding en de vaststelling van het wetboek heeft ondergaan heeft men nooit blijk gegeven eenige wijziging te willen brengen in de gangbare beteekenis die t;ialgebruik en jurisprudentie aan de woorden bedelen en bedelarij hebben toegekend.

Zoo is niettegenstaande den frequentatiefvorm van het woord blijven vaststaan dat ook eene enkele vraag (bede) bedelen kan opleveren 1).

Bedelen is gebleven het vragen om eene aalmoes, niets meer en niets minder, met dien verstande echter dat het vragen niet juist met woorden behoeft gedaan te worden, en de „bedelende houding" voldoende kan zijn.

Aan het voorwerp der vraag, de aalmoes, moet eene ruime beteekenis gehecht worden; zij behoeft niet in geld te bestaan maar kan ook onderstand in anderen vorm, zelfs hulpbetoon tot vervulling van eene oogenblikkelijke behoefte zijn. Voorts is niet noodig dat het gevraagde als geschenk bedoeld is, zoodat de belofte van teruggave het bestaan van bedelarij niet opheft.

Niet elk vragen intusschen is bedelen, met name niet het vragen van hulp bij advertentie of door middel van circulaires. Het zich in persoon aanmelden ter onmiddellijke verkrijging van het gevraagde is een kenmerk van bedelarij; wat dus de beteekenis moge zijn van „in het openbaar' (zie aanteekening 2), in het openbaar bij geschrifte (vgl. art. 131) kan niet gebedeld worden.

Ook ten behoeve van een ander kau worden gebedeld.

In hetgeen bedelen uitmaakt, het vragen van eene aalmoes, ligt opgesloten dat niet als bedelen in aanmerking kan komen liet vragen aan iemand die hetzij door ambt hetzij door betrekking tot den vrager

l) Door Van Drooge, Tijdschrift voor strafrecht XII, bladz. 147, wordt vragen bij herhaling noodig geacht op grond van de afleiding van het woord bedelen en het taalgebruik. Mij komt het vóór dat het taalgebruik juist met de afleiding heeft gebroken. In de rechtspraak is in elk geval nooit de eisch van Jierhaling gesteld.

noyon, Het Wdb. v. Strafr. III, 2e druk. 25

Sluiten