Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

justitie uitdrukkelijk en zonder tegenspraak geconstateerd dat hier sprake is van bedelen hetzij op of langs den openbaren weg, hetzij o]i eene voor het publiek toegankelijke plaats, en dat, afgescheiden \an de bepaling van art. 433, liet bedelen langs de huizen het karakter van openbaarheid kan dragen, wat de rechter vrijelijk kan beoordeeleni) Deze laatste opmerking sluit zich aan bij die van het regeeringsantwoord in het verslag der Tweede Kamer. De Minister gaf daar als slotsom zijner overwegingen de redactie: hij die in het openbaar bedelt wordt gestraft, enz., maar sprak in zijne toelichting van het verbod van bedelen op publieke plaatsen Daargelaten dat dit laatste den zin der wetsbepaling niet weergeeft, moet worden opgemerkt dat het gesteld werd tegenover het bedelen langs huizen, niet aan den openbaren weg gelegen, waartegen door art. 433 werd voorzien (voordat dit artikel door de novelle gewijzigd was); het bedelen langs huizen, niet aan den openbaren weg gelegen, ook al geschiedt dit niet op dien weg of op eene voor liet publiek toegankelijke plaats, bijv. aan de deur van een huis dat door zijn erf van den openbaren weg is gescheiden, is dus zeker door den Minister onder het bedelen in het openbaar begrepen; het is toch niet aannemelijk dat de Minister de openbare orde wel gestoord heeft geacht wanneer de bedelaar vóór het hek van een erf op straat plaats neemt, niet wanneer hij het erf oploopt maar zijne handeling voor het publiek even waarneembaar blijft; de hinder is toch in beide gevallen even groot.

I* nu „in het openbaar ' ook hier gelijk aan: voor iedereen waarneembaar, dan dient iedereen ook te kunnen zien wat er gebeurt, niet alleen dat er iets gebeurt. Ik kan mij daarom niet vereenigen met de leer dat het aan de huizen aanbieden van eenen bedelbrief als bedelen in het openbaar beschouwd kan worden. Immers wat waarneembaar is, is het aanbieden van eenen brief, maar dit is geen bedelen ; dat zou het eerst kunnen worden wanneer de brief een bedelbrief is, en dit kan nu juist door het publiek niet worden waargenomen 3).

3. In het ontwerp opgenomen, door den Minister van justitie op den van de Tweede Kamer uitgeganen aandrang geschrapt, is de strafbaarstelling van landlooperij door de novelle in het wetboek terug-

Sniidt III, eerste druk 212, tweede druk 221.

2> Sniidt III, eerste druk 205, tweede druk 214.

3) Anders Hooge Raad 20 Juni 1893, Wbl. 0368, P. v. J. 1893 no 06vgl. het arrest van 21 Mei 1894, Wbl. 0502, P. v. J. 1894. no. 58, èn Rechtbank Haarlem 2 December 1886, Wbl. 5387.

25*

Sluiten