Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winkelier in den gewonen zin des woords, te zijnen huize eene plaatshad, bestemd tot het drijven van handel.

De bepaling is niet beperkt tot het goed dat in den winkel gekocht wordt; zij zou in het tegenovergestelde geval trouwens niet veel nut hebben, daar overtreding slechts zeer bezwaarlijk te constateeren zou zijn.

De opkoopers die èn winkel houden èn langs de huizen koopen zullen nu alles in hun register moeten schrijven, gelijk trouwens ook de andere hier genoemde personen behooren aan te teekenen wat hun verkocht wordt buiten zoowel als in hunnen winkel.

3. Aanteekening moet gedaan worden van alle door de hier gegenoemden gekochte goederen zonder onderscheid naar de hoedanigheid waarin zij koopen. Dat de kooper lasthebber is van een ander kan dus zijne verplichting niet opheffen !).

4. De wet van 18 September 1853, Stbl. 178, omtrent den waarborg der gouden en zilveren werken behelst in art. 37 en 38 een voorschrift voor de schatplichtigen volgens die wet (hen die geheel of gedeeltelijk uit goud of zilver bestaande voorwerpen vervaardigen, bewerken, doen vervaardigen of bewerken of met zoodanige voorwerpen handel drijven) van in hoofdzaak gelijke strekking als art. 437. De vereischten voor het register zijn echter eenigszins meer uitgebreid: het moet genummerd en gewaarmerkt zijn door het gemeentebestuur, en inhouden vermelding niet alleen van aangekochte maar ook van op andere wijze verkregene en van ter herstelling of met eenig ander oogmeik toevertrouwde gouden of zilveren werken. Overigens is omtrent de wijze waarop en de mate waarin van de herkomst moet blijken alleen bepaald dat de Minister van financiën den vorm vaststelt. Voorts moet het register op aanvrage vertoond worden aan de ambtenaren van den waarborg en die welke in het algemeen belast zijn met het opsporen van misdrijven.

Deze bepalingen zijn bij de Invoeringswet gehandhaafd (art. 7) en zijn, als van niet geheel gelijke strekking, bestaanbaar naast art. 437 en dus nog geldig. In de zaak waarin dit door den Hoogen Raad werd uitgemaakts) was de overtreding van art. 37 en 38 telastgelegd blijkens de met den inhoud dier artikelen geheel overeenstemmende woorden der dagvaarding. Wat zou nu rechtens zijn indien was telastgelegd het niet honden van dat hetwelk art. 437 voorschrijft'?

x) Kantongerecht Middelburg 12 Augustus 1903, Wbl. 7974. '-) Arrest van 29 Juni 1891, Wbl. 60Ö4, P. v. J. 1891, no. 101.

Sluiten