Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men moet van liet gevaar getuige zijn geweest (zie aanteekening 3), en dit onderstelt wederom inzicht in liet gevaar. Hij die in eenen drenkeling slechts eenen zwemmer heeft kunnen zien kan bezwaarlijk strafbaar worden gesteld voor het niet verleenen van hulp welker noodzakelijkheid hij niet bevroedde. Evenzoo zal de door schrik verbijsterde niet aansprakelijk gesteld kunnen worden voor zijne werkeloosheid i).

Voor het overige moet bewezen zijn dat de hulpverleening niet achterwege is gelaten omdat beklaagde gevaar voor zich zeiven of voor anderen redelijkerwijs duchten kon. Welk gevaar dit moet zijn zegt de wet niet; de eenige vingerwijzing daaromtrent die te vinden is geeft de Memorie van toelichting op art. 446; het gevaar kan geringer zijn dan het „dadelijk gevaar" van dat artikel. Intusschen kan daarbij (zie aanteekening 4 op art. 446) slechts gedoeld zijn op het meer of minder dreigende van het gevaar; de vraag wat door het gevaar bedreigd wordt is eene andere: ten aanzien daarvan nu spreekt de wet in geheel algemeene termen, maar daarom kan ook alleen aan gevaar voor den mensch, d. i. levensgevaar, gedacht worden.

2. De hulp behoort verleend of verschaft te worden; men heeft blijkens de Memorie van toelichting ook het geval willen voorzien dat iemand niet zelf hulp kan bieden maar door tusschenkomst van anderen, bijv. door inroeping van de politie, de behulpzame hand kan bieden.

De strafbaarheid vervalt wanneer de dood van den in gevaar verkeerende niet volgt. Wanneer die wel gevolgd is heeft men dus te vragen wat door den getuige van liet gevaar kan zijn nagelaten.

Op den voorgrond moet staan dat hulp verleenen en verschaffen reeds gelegen is in de poging tot redden of die tot het doen opdagen van helpers; dat het aangewende niet tot gunstigen uitslag leidt, neemt niet weg dat het aangewend is.

Kan nu geene hulp zonder gevaar verleend worden dan moet er gepoogd worden ze te verschaffen, maar de getuige kan niet volstaan met eens anders hulp in te roepen indien hij zelf hulp verleenen kan; daarentegen zal hij niet strafbaar kunnen zijn door te pogen hulp te verleenen, terwijl hij misschien beter had gedaan door hulp van elders te halen. De eerste plicht is hulp verleenen; daarna komt hulp verschaffen.

3. De verplichting tot hulp verleenen of verschaffen wordt gelegd op hem die getuige is van eens anders oogenblikkelijk levensgevaar.

^ *?'• Polenaar en Heemskerk , aanteekening 1.

Sluiten