Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üij derde of volgende herhalingen, gepleegd telkens binnen een jaar nadat de laatste veroordeeling wegens tweede of volgende herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie weken en kan de schuldige daarenboven, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste een jaar. In geval van herhaling van overtreding na te zijn geplaatst geworden in eene rijkswerkinrichting, vangt de termijn van een jaar, bedoeld in de vorige zinsnede, aan op den dag van het ontslag uit de rijkswerkinrichting.

1. Als overtreding togen de zeden is het in staat van dronkenschap verkeeren slechts strafbaar onder twee voorwaarden, 10 dat de beschonkene zich bevindt op den openbaren weg. 2° dat de staat kennelijk zij, d. i. zóo duidelijk zichtbaar dat hij aanstoot geven kan (Memorie van toelichting).

Er behoeft niet vast te staan dat inderdaad iemand ergernis ondervonden heeft, de toestand behoeft slechts zoo te zijn dat een ander er aanstoot aan genomen kan hebben. De wetgever onderstelt dat dronkenschap, goed waarneembaar, aanstoot geeft, en eischt in verband daarmede niet meer dan de kennelijkheid, het in het oog vallende er van i).

Kennelijke staat van dronkenschap is een deel der i jualificatie van de overtreding, maar duidt tevens den toestand aan die, voorkomende op den openbaren weg, tot strafbaarheid leidt; daarom is het voldoende dat het zich bevinden in kennelpen staat wordt te last gelegd -'); die toestand moet echter bewezen worden uit bepaalde feiten en omstandigheden , welke alzoo ter constructie van het bewijs door den rechter moeten worden aangenomen op grond van wettige bewijsmiddelen 3).

2. Openbare weg, zie aanteekening 5 op art. 162.

Het begrip weg is hier intusschen omvangrijker dan in art. 162. Daar is sprake van versperring die alleen betreft den verkeersweg, de ruimte die bepaaldelijk voor het verkeer is opengesteld, hier echter grelclt het de openbare zedelijkheid, en al is er alleen overtreding wanneer het feit op den openbaren weg plaats vindt, tot openbaren weg kan gerekend worden al wat daarbinnen begrepen is, zooals het zij 't ook niet voor betreding bestemde plantsoen op een openbaar plein.

*) Vgl. Hooge Raad 14 November 1887, Wbl. 551Ö.

2) Hooge Raad 18 Juni 1888, Wbl. 5575, P. v. J. 1888, no. 90.

s) Hooge Raad 30 Juli 1880, Wbl. 5325.

Sluiten