Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het spelen van hazardspel is deze dus houder van een huis van hazardspel1).

Bij hetgeen niet door eigene bestemming een speelhuis is wordt nu ook nog meer vereischt dan het enkele feit dat er gespeeld wordt; als houder kan slechts hij worden aangemerkt die weet, niet alleen dat er gespeeld, maar dat er hazardspel gespeeld wordt2).

3. Het huis moet voor het publiek toegankelijk zijn, maar het is onverschillig of de toegang afhankelijk is gesteld van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm. Met deze laatste bijvoeging is voorkomen de mogelijkheid van ontduiking, die veelal werd beproefd ten aanzien van de verordeningen op de tapperijen door het fingeeren van eene societeit met introductie voor ieder die zich aanmeldde. Al wat niet in werkelijkheid slechts voor eenen beslotenen kring, zij het ook met eenige uitbreiding door introductie, openstaat, is voor het publiek toegankelijk 3).

4. Nevens den oprichter en den houder is strafbaar hij die in de onderneming deelneemt, d. i. in de onderneming van het huis, niet van het spel; voorts die tot het houden van het speelhuis eene plaats verstrekt, dus o. a. de verhuurder van liet huis die het voor speelhuis verhuurt. Voor deze allen zal ook opzet, wetenschap van den aard van het huis vereischt zijn.

5. Ten slotte zijn, evenals de oprichter en de houder, strafbaar zij die als bankiers of opzichters over het spel werkzaam zijn. Hieronder zijn niet te verstaan de medespelers uit het publiek aan wie

J) Naar den Code pénal is het, vermits eene herberg toch ook een lieu public kan heeten, eene vraag of de herbergier, spel in zijne herberg toelatende, strafbaar is volgens art. 410 dan wel volgens art. 475 5®.

Die vraag is voor onze wet opgelost in het niet art. 475 correspondeerende artikel 457 20, dat de strafbaarheid van het gelegenheid geven beperkt tot het geval dat het op den openbaren weg plaats vindt.

2) Hooge Raad 2 Februari 1809, WH. 3086, en 9 Februari 1875, Wbl. 3826; vgl. Simons in Themis 1885, bladz. 53.

3) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1, schijnen ook de leden van eene club met hunne geïntroduceerden reeds als publiek aan te merken; zij zoeken het kenmerkende van publiek niet in den wijden kring der toegelatenen maar daarin dat allen of bijkans allen die toelating vragen gedreven worden door speel- of win-zucht. Evenzoo Telting t. a. p. bladz. 77.

Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) maakt de bepaling ook toepasselijk op huizen toegankelijk voor leden of geïntroduceerden eener vereeniging die belang bij het spel heeft.

Sluiten