Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorspronkelijke art. 517 (thans 460) hooiland in hooigrond om nog duidelijker te maken dat alleen ongemaaid hooiland in aanmerking mag komen l). Deze op zich zelve niet zeer sprekende verandering verdween weder in de verdere omwerking van het artikel. Voor hooiland trouwens was er geene reden tot beperking daar dit ook na het maaien met gras bezet is en hooiland blijft (vgl. aanteekening 3 op art. 459). Maar voor het overige moet worden aangenomen dat loopen langs het gezaaide, gepote, geplante geen strafbaar feit is. Over het land loopt echter ook de persoon die zich door het plantsoen begeeft ook zonder de jonge telgen te raken en te beschadigen; dan mag er langs de telgen geloopen worden, er wordt toch geloopen over eenen beplanten grond, terwijl het loopen langs een korenveld nog niet loopen over bezaaiden grond is.

4. Het voorwerp waarmede overtreden wordt is „zijn niet uitvliegend pluimgedierte". Deze woorden behoeven niet zoo beperkt opgevat te worden dat zij alleen zouden bedoelen dieren die des daders eigendom zijn, en niet ook die welke onder zijne hoede staan. Noch de tegenstelling met art. 425, noch die met art. 459 en 461, komt mij sterk genoeg vóór om te dwingen tot vrijstelling van hem wien althans een zelfstandig toezicht over het pluimgedierte van een ander is opgedragen 2).

Artikel 459.

Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, vee laat loopen in tuinen, hakbosschen of rijswaarden, op eenig wei- of hooiland of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

1. Vee, zie aanteekening 1 op art. 311.

2. Rijswaarden, ook grienden genoemd3).

3. Wei- of hooi-land; dit moet in zijnen eigenlijken begrensden

*) Smidt III, eerste druk 302, tweede druk 342.

2) Anders 1'olenaar en Heemskerk, aanteekening 2. In het wijzigiDgsontwerji van den Minister Cort van der Linden (1900) vervalt het woord zijn.

8) Zie de conclusie van den Advocaat generaal Patijn vóór het arrest van den Hoogen Raad van 6 November 1899, Wbl. 7359, P. v. J. 1900, no. 3.

Sluiten