Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Duitsche strafwetboek zijn bij ons vereenigd in verbod van toegang op blijkbare wijze!).

Niet elke afsluiting echter is een blijkbaar verbod van toegang; zij kan gemaakt zijn ter voorkoming dat het vee het land verlaat, zooals een toevallend doch niet gesloten hek; zij kan strekken om den toegang voor dieren te versperren zonder bestemd te zijn ook menschen buiten te houden. Uit den aard der afsluiting zal alzoo moeten opgemaakt worden of zij een verbod van toegang medebrengt^).

De wijze waarop de toegang verboden is moet voor den dader blijkbaar zijn:!); in elk concreet geval moet hij het verbod hebben kunnen waarnemen. Iemand die niet lezen kan is niet in staat een in schrift uitgedrukt verbod waar te nemen, en kan bij overtreding dus niet strafbaar zijn.

Wanneer van afstand tot afstand rondom een terrein, of bij een bosch slechts aan de gewone toegangswegen waarschuwingsborden gesteld zijn en er geene omheining is, en iemand betreedt dat terrein, dat bosch op eene plaats waar geen bord wordt aangetroffen noch eenig ander teeken van verbodenen toegang, dan zal hij wegens dat feit niet strafbaar zijn wanneer hij de waarschuwing niet heeft kunnen zien. Komt hij bijv. dwars over den weg, hij is niet strafbaar; hij overtreedt echter wanneer hij langs het terrein gekomen het op den hoek geplaatste waarschuwingsbord heeft kunnen zien, al is ter plaatse waar hij binnentreedt juist geen teeken aanwezig. -Maar in het algemeen kan men niet eischen dat iemand die geene reden heeft om aan een verbod te denken zich vergewissen zal of op eene andere plaats dan waar hij zich bevindt een verbod wordt aangetroffen 4); dan zou ook van dengene die niet lezen kan gevorderd kunnen worden dat hij niet binnentreedt voordat hij zich door navraag vergewist heeft wat er op de borden vermeld staat. Ook hij die de taal niet verstaat waarin het verbod is uitgedrukt blijft straffeloos.

Intusschen wordt dit alles in zijne strengheid getemperd ingeval de dader weet dat de toegang tot eenig terrein verboden is. In dat geval kan hem de beteekenis van liet waarschuwingsbord duidelijk zijn ook al kan hij liet opschrift niet letterlijk lezen, en het ontbreken

!) Zie J. D. van Ewijck, Art. 461 Wetboek van strafrecht, academisch proefschrift, Utrecht 1890, bladz. 29; anders Kantongerecht Deventer 21 Februari 1887, Rechtsgeleerd bijblad 1886/7, bladz. 285, Tijdschrift voor strafrecht I, bladz. 581.

2) Vgl. Hooge Raad 18 Februari 1889, Wbl. 5683, I'. v. J. 1889, no. 36, met Hooge Raad 1(3 Mei 1887, Wbl. 5437.

3) Vgl. Hooge Raad 7 December 1903, Wbl. 8005.

4) Anders van Ewijck t. a. p. bladz. 33 en volg.

Sluiten