Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekerheid van het tegendeel mist, en twijfelende het er op waagt (voorwaardelijk opzet).

Al aanstonds zijn hier de alternatieven verkeerd gesteld. Hij die „het er op waagt" en dus voorwaardelijk opzet zou hebben is geheel iemand anders dan die, zonder bepaalde zekerheid te hebben, het bestaan van een element van het misdrijf aanwezig onderstelt en in die onderstelling handelt. Met dezen laatste heeft men voor het opzet te maken.

Hij die het er op waagt is eenvoudig een roekelooze die zich om de gevolgen van zijne daad niet bekommert en wanneer die gevolgen waarschijnlijk waren, en zich werkelijk ook hebben voorgedaan, krachtens de leer van het voorwaardelijk opzet geacht wordt (ten onrechte, zie aant. 3 in het werk en hierna) ze te hebben gewild. Deze blijft geheel buiten beschouwing.

Maar die een ander dooden wil en daartoe op hem schiet is geen roekelooze, maar iemand die des anderen dood en niets dan dat wil. Is het daarvoor nu noodig dat hij zich vergewist heeft van de aanwezigheid van alle omstandigheden die zijn feit tot een strafbaar feit zullen stempelen? Immers neen: hij wil dooden, daartoe is niet meer noodig dan dat hij gelooft, overtuigd is, eenen levenden menscli te zullen treffen; wist hij met eenen niet levenden te doen te hebben, hij zou den wil tot dooden niet kunnen hebben.

Maar het den dader onbekende feit dat de getroffene reeds overleden was heeft toch niets te maken met zijnen wil om te dooden, zijn opzet. Dit bestond, onafhankelijk van de materieele omstandigheden die de uitvoerbaarheid beheerschten.

Voor het opzet is alleen noodig de voorstelling bij den dader dat het object der handeling de eigenschappen bezit, onmisbaar voor het volvoeren van het voornemen. Zijn die eigenschappen niet aanwezig, dan faalde de uitvoering, doch niet omdat het opzet niet bestaanbaar, maar omdat het niet uitvoerbaar was.

Het bevestigende antwoord op de gestelde vraag wordt voorts door den Minister gegrond op zijne eigene definitie van opzet, maar ten onrechte. .Bewuste richting van den wil (zegt hij) niet enkel op het feit maar op het misdrijf; wetenschap wordt alzoo vereischt ten aanzien van alles wat noodig is het feit een misdrijf te doen zijn".

Ik vraag nogmaals: waarom kan ik iets niet willen bereiken zonder zekerheid of ik het zal kunnen bereiken? Bewuste richting van den wil is toch niet richting van den wil op iets dat ik weet te kunnen gebeuren, maar eene wilsrichting waarvan ik mij bewust ben. Bij de eenige uitdrukking die de Minister aan de memorie van toelichting ontleende ter qualificatie van opzet: willens en wetens, is dan ook alleen te denken aan willen, en weten wat men wil en wat men doet; maar daarbuiten ligt de wetenschap dat hetgeen men wil ook in het leven zal kunnen

Sluiten