Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden geroepen. Het alzoo in des Ministers redevoering is dus misplaatst; zijne conclusie volgt niet uit de praemisse.

Natuurlijk zal de wetenschap een belangrijk element van het bewijs voor het opzet kunnen zijn, maar de eisch dat zij een noodzakelijk bestanddeel zou zijn leidt tot deze consequentie dat b.v. een moordenaar, die zijn slachtoffer in den slaap getroffen heeft en zich niet heeft vergewist of het nog leefde, zal moeten worden vrijgesproken omdat hij niet verklaren kan en overigens niet bewezen kan worden dat hij absoluut heeft geweten eenen levende te treffen.

Er zijn misdrijven welker wettelijke omschrijving wel wetenschap omtrent bepaalde omstandigheden eischt, maar daarbij is dit uitdrukkelijk gezegd. Maar ook omtrent die misdrijven is bij de toelichting nooit gezegd dat door de woorden „wetende dat, kennis dragende van" en dergelijke niet meer dan het vereischte van opzet is aangewezen, dat er overigens natuurlijk in ligt opgesloten.

Het was wederom eerst de Minister Modderman die aan het slot van het regeeringsantwoord beweerde dat het vereischte van opzet door uitdrukkingen als de genoemde op juiste wijze werd aangegeven, en dit herhaalde bij de behandeling van art. 195.

In den geest van het aangehaalde arrest besliste de Hooge IJaad ook bij arresten van 30 Januari 1905 (VVbl. 8175, P. v. J. 415) en 17 Juli 1905 (Wbl. 8259, P. v. J. 469), dat voor het in art. 416 gevorderde opzet voldoende is begrijpen, d. i. het bewustzijn en de overtuiging hebben van de misdadige herkomst.

Waar ik nu bij de behandeling van afzonderlijke artikelen in het hoofdwerk van wetenschap spreek, gelieve men daaronder te verstaan subjectieve wetenschap, voor werkelijk bestaande houden.

Bij 3. Het komt mij voor dat ten opzichte der grenzen van het begrip voorwaardelijk opzet geene eenstemmigheid bestaat. Daaraan is wellicht toe te schrijven dat Prof. Simons in zijn Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht, I, no. 161, mijn betoog tegen het toelaten van voorwaardelijk opzet bestrijdt met de opmerking dat het bezwaar, als zoude voorwaardelijk opzet niet naar den animus maar naar het gevolg beoordeeld worden, niet juist is omdat geheel afgescheiden van het gevolg over het bestaan van opzet beslist moet worden.

Mij dunkt, ik kan geacht worden de eerste te zijn om dit laatste toe te geven; mijn betoog is juist dit: het opzet moet beoordeeld worden naaiden animus, niet naar het gevolg; wat men voorwaardelijk opzet noemt wordt mede naar het gevolg beoordeeld, ergo kan het geen opzet zijn, maar valt het onder het begrip schuld.

Nu heb ik bij mijnen strijd tegen het voorwaardelijke opzet het oog gehad op niets anders dan wat de Minister Modderman in zijn antwoord

Sluiten