Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het Kamerverslag als zoodanig had genoemd, den animus van hem die „het er op waagt", dus de gevolgen voor zijne rekening neemt al heeft hij ze noch gewenscht, noch bedoeld, noch als noodzakelijk zich voorgesteld. De gevolgen niet bedoeld hebbende, kan deze niet gezegd worden ze in zijn opzet te hebben opgenomen.

Maar hem die de gevolgen als noodzakelijk heeft erkend reken ik tot degenen die ze onvoorwaardelijk hebben gewild, al hadden zij ze zoo mogelijk liever vermeden.

Welke theorie men nu ook wil aannemen, men zal steeds zooals Simons terecht doet opmerken, de vraag moeten stellen, wat de dader heeft en moet hebben gewild, maar daarmede strookt m. i. niet zijne verwerping van mijn straks genoemd bezwaar, en evenmin dat hij bij poging het opzet als voorwaardelijk opzet bestaanbaar noemt. Bij poging is wel iets anders bereikt, maar dat andere staat niet naast het bedoelde, maar is het daarin opgeslotene mindere.

Of moet men ook bij Simons denken (wat uit zijn betoog niet blijkt) aan de opvatting van zijnen ambtgenoot van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsch strafrecht, tweede druk, bladz. 335, dat van voorwaardelijk opzet zoowel bij zekerheidsbewustzijn als bij mogelijkheidsbewustzijn de rede is?

Moet men met van Hamel het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn noemen „slechts voorwaardelijk opzet", waartegenover dan moeten staan het onvoorwaardelijke opzet en het niet slechts voorwaardelijke, dus gemengd voorwaardelijke en onvoorwaardelijke opzet, dan vervalt men in eene begripsonderscheiding die de mijne niet is.

Dit laatste middending versta ik niet; wat gewild is, hetzij als bedoeld hetzij als onvermijdelijk, kan alleen voorwerp van opzet zijn; daarbuiten echter ligt het voorwaardelijke (slechts-voorwaardelijke) opzet dat geen opzet is.

Bij 4, noot 2, blz. 6. Evenzoo Gerechtshof te Arnhem 4 Februari 1904 (AVbl. 8036). Bij arrest van 26 April 1906 (VVbl. 8410) besliste hetzelfde Hof daarentegen dat, zoo iemand A wil snijden en daartoe de gewapende hand naar hem uitstrekt, maar B, die A wil wegtrekken en voor het mes komt, raakt, het opzet gericht was op de mishandeling van B, zóo als die was telastgelegd (nl. zonder vermelding van de bijzondere omstandigheden). Hier was volgens het Hof geene aberratio ictus, maar error in persona, daar beklaagde, A willende snijden, B raakte, terwijl hij in de door hem bedoelde richting de verwondende handeling pleegde.

Het laatste schijnt mij onjuist; B werd niet geraakt omdat hij ten onrechte voor A werd gehouden, maar omdat hij tusschenbeide kwam toen de niet bedoelde verwonding van hem niet meer te voorkomen was;

Sluiten