Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had de dader nog kunnen terugtrekken, B was niet verwond geworden, maar opzet tot verwonden van de geraakte persoon ontbrak.

Artikel 1.

Bij 5. Het hier gehoudene betoog acht ik bij nadere overweging onjuist.

Bij art. 31 der Invoeringswet is wel het beginsel der toepasselijkheid van oude of nieuwe wet bij verandering van wetgeving na de berechting in eersten aanleg ter sprake gekomen, maar het artikel zelf is blijkens het opschrift der paragraaf waartoe het behoort en blijkens zijnen inhoud uitsluitend toepasselijk op zaken, aanhangig op 1 September 1886, en dus slechts voor een bepaald geval geschreven.

Voor alle andere gevallen moet de vraag of verandering van wetgeving na eene uitspraak in lagere en voor die in hoogere instantie invloed moet uitoefenen beantwoord worden naar art. 1, tweede lid, in verband met de bepalingen en beginselen die den aard der berechting in hoogere instantie beheerschen.

Dat de rechter in cassatie, voor zooveel hij alleen te vragen heeft oi de lagere rechter op het oogenblik waarop hij vonnis wees de wet met juistheid toepaste, en bij bevestiging het beroep verwerpt, bij ontkenning de zaak verwijst, geene rekening mag houden met latere verandering in de wetgeving, zal wel niet voor bestrijding vatbaar zijn; daarover was men het ook eens bij de vaststelling van art. 31 Invoeringswet.

Voor appel, verzet en rechtspraak ten principale door den Hoogen Baad bleek destijds verschil van gevoelen te bestaan (zie aant. 5). Mij komt de opvatting van den Raad van State en de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer de juiste voor. De zaak wordt opnieuw a fond behandeld en beoordeeld alsof er geene vroegere behandeling had plaats gevonden. Dat het vroegere vonnis eenvoudig bevestigd of bekrachtigd kan worden is eene zaak van vorm der uitspraak, die den aard der nieuwe behandeling niet raakt.

De meening der Regeering dat het gebruik van het recht van appel of verzet in ziclt sluit een beklag over hetgeen de vroegere rechter gedaan of beslist heeft, is slechts ten deele juist; immers er kunnen nieuwe bewijsmiddelen worden aangevoerd waardoor de zaak van aanzien verandert zonder dat de eerste rechter gezegd kan worden op de hem ten dienste staande gegevens onjuist te hebben beslist. Nu verandert de stand der zaak in haar geheel ook door inmiddels ontstane verandering in de wetgeving. De rechter heeft zich dus, nadat hij feiten en schuld bewezen heeft verklaard, de vraag te stellen of hij op die feiten nog straf, zoo ja, welke straf kan toepassen. De Hooge Raad deelt deze opvatting blijkens het arrest van 8 Februari 190-1 (Wbl. 8035, P. v. J. 327).

Sluiten