Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige beteekenis zon kunnen hebben bij ontslag uit de voorloopige bewaring waardoor het kind gezegd zou kunnen worden aan de ouders of den voogd ontnomen te zijn.

15. Het thans geldende systeem van berechting van jeugdige delinquenten heeft geene verandering gebracht in den wettelijken eisch dat de rechter over het bewezene der feiten en der schuld uitspraak moet doen. Eerst wanneer hij dat gedaan heeft kan hij zich de vraag stellen of eenige maatregel of straf, zoo ja welke, toegepast moet worden.

Dat dit bedoeld is blijkt ook uit de toelichting der wijziging bij de wet van 1901 in art. 204 Wetboek van strafvordering gebracht: „bij de regeling van dit ontwerp is schuldigverklaring zeer wel mogelijk zonder dat straf wordt opgelegd: het ontwerp wil juist door de artt. 38 en 39 den rechter vrijheid laten om ook op een schuldigverklaarde geen straf toe te passen."

Alzoo blijft ook art. 216 Wetboek van strafvordering op de berechting van toepassing.

Dit zag m. i. de Rechtbank te Almelo voorbij toen zij bij haar vonnis van 3 April 1906 (van Hamel en Schadee, De toepassing der Kinderwetten II, blz. 5) op vrij huiselijke wijze zich afmaakte van de vraag of een jeugdige beklaagde al dan niet volgens art. 37 naar een krankzinnigengesticht behoorde gezonden te worden. De gehoorde deskundige had twijfel over de toerekeningsvatbaarheid van den beklaagde uitgesproken, en als zijn oordeel te kennen gegeven dat plaatsing in een krankzinnigengesticht niet wenschelijk zou zijn; en de Rechtbank overwoog dat in elk geval plaatsing in een dergelijk gesticht indien noodig ook bereikt kan worden door den beklaagde te stellen ter beschikking der Regeering, aangezien dan mogelijk zal zjjn ingevolge art. 17 en 18 der wet van 12 Februari 1901, Stbl. 64, zoowel den beklaagde tijdelijk in eene inrichting bestemd tot behandeling van zoodanige lijders te plaatsen ter verpleging en genezing, alsook om hem daarna weder voorwaardelijk in de maatschappij terug te brengen en hem te plaatsen bij voorbeeld bij een boer onder streng toezicht op behoorlijken afstand van spooren tramwegen en onder verplichting geen sterken drank te gebruiken. (I)e beklaagde had herhaaldelijk dwarsliggers op de rails gelegd ten einde treinen te doen ontsporen, en zulks altijd volgens zijne opgave „na een borrel op te hebben").

Hier wordt art. 37 eenvoudig ter zijde gesteld; de Rechtbank zou ten aanzien van eenen volwassenen beklaagde met even veel recht kunnen besluiten tot veroordeeling, daar de veroordeelde immers ook uit de gevangenis altijd nog wel naar een krankzinnigengesticht kan worden overgebracht.

Sluiten