Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 47.

Bij 13. Mijne verklaring van het begrip medeplegen heeft bestrijding gevonden bij Mr. D. Simons in zijn Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht I, blz. 198.

Volgens dezen schrijver zou ik eenen vorm van deelneming in het systeem der wet hebben ingeschoven die bij hare totstandkoming in wetenschap en praktijk onbekend was.

Ik moet die beschuldiging afwijzen omdat die vorm dan in geen geval door mij, maar door onzen wetgever uitgevonden is.

De Memorie van toelichting kent buiten hen die uitlokken drie soorten van daders, ten eerste hen die het feit „met of zonder rechtstreeksche medewerking van anderen plegen", ten tweede hen die doen plegen, ten derde hen „die met anderen datgene verrichten wat het strafbare feit uitmaakt en alzoo opzettelijk tot het plegen daarvan medewerken". Zij vormen te zamen hen die uitsluitend of met anderen het strafbare feit bedrijven. Zal de onderscheiding tusschen de eerste en do derde soort iets beteekenen dan moeten de daders der derde soort in eene andere verhouding tot het misdrijf in zijn geheel staan dan die der eerste. Mededaders toch in den zin van daders die gezamenlijk plegen zijn reeds in de eerste soort begrepen en nemen tegenover het misdrijf geene bijzondere positie in; zij zijn allen daders op gelijke lijn.

In den tekst der wet werd oorspronkelijk niet gesproken van hen die medeplegen maar van hen die tot het plegen medewerken. De hiertegen gerichte opmerking van den hoogleeraar De Vries, naar aanleiding waarvan de tekst werd gewijzigd, was van taalkundigen aard; alleen omdat medewerken tot het plegen medeplichtigheid uitdrukt gaf hij de voorkeur aan mededoen aan het plegen.

De toelichting tot art. 50 laat voorts geenen twijfel over dat medeplegen ook hij kan die eene der eigenschappen mist welker gemis bij alle daders het misdrijf zoude opheffen. „Zoodanige persoonlijke omstandigheid, betrekking of hoedanigheid" (nl. die de strafbaarheid niet wijzigt maar bepaalt) „staat gelijk met de andere (objectieve) vereischten „of kenmerken van het strafbare feit. Daarvoor gelden dus de gewone „regelen van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Ieder mededader van „of medeplichtige aan het misdrijf die bekend was met en wiens opzet „ook gerigt was op deze omstandigheid, moet in hare strafregtelijke „gevolgen deelen, al betreft zij hem niet persoonlijk."

Het woord mededader, in de wet niet bekend, wordt nu in de Memorie van toelichting overal (op art. 47 bij de omschrijving van medeplegen, op art. 48 bij de tegenstelling met den materieelen medeplichtige, op art. 50 in de vierde en de zevende alinea) gebezigd in den zin van

Sluiten