Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het arrest van den Hoogen Eaad van 26 Februari 1906 (VVbl. 8344, P. v. J. 533) waarbij het beroep in cassatie tegen het eerstgenoemde niet ontvankelijk werd verklaard omdat de gegevene vrijspraak eene zuivere vrijspraak was. Zij was dit niet nu enkel om het ontbreken van het speciale opzet het geheele misdrijf geacht werd te ontbreken; in elk geval was er geene voldoende motiveering nu wel de verzwarende omstandigheid maar niet de beleediging zelve onbewezen was verklaard.

Artikel 281.

Bij 3. Bij nadere overweging komt het mij voor dat het noemen van den wil van ouders of voogden er op wijst dat de wetgever in aanmerking heeft willen brengen den wil van hen die met het gezag over de minderjarigen bekleed zijn. Er is sprake alleen van ouders of voogden; had de wetgever het oog gehad op de personen wier toestemming voor het huwelijk noodig is, hij had moeten zeggen: ouders, grootouders of voogden.

Oorspronkelijk was trouwens ook het klachtrecht niet aan grootouders, maar alleen aan ouders en voogden gegeven; toen bestond niet de anomalie tusschen de vereischten van het misdrijf en de bevoegdheid tot klagen, die ontstaan is door de latere wijziging waarbij de Minister van Justitie voorbijzag dat zijn argument voor die wijziging (verband tusschen klachtrecht en toestemming tot het huwelijk) ook op de omschrijving van het misdrijf invloed had moeten oefenen.

De argumentatie in aant. 3 past trouwens niet geheel meer op den toestand zoo als die is in het leven geroepen door de wijzigingen, bij de wet van 6 Februari 1901, Stbl. 62, in het Burgerlijk Wetboek gebracht.

Die wijzigingen schuiven nog eene andere vraag op den voorgrond. Bij het noemen van ouders en voogden ging de wetgever blijkbaar uit van de gedachte dat zoolang beide ouders in leven zijn van voogden geene sprake is. Hij zag daarbij reeds voorbij de bepaling van art. 421 B. W.

Thans zijn er meer gevallen waarin niettegenstaande het leven der ouders voogden bestaan die met uitsluiting van hen gezag over de minderjarigen hebben.

Wat is nu rechtens indien de ouders wel, de voogden niet, of deze wel en de ouders niet toestemming tot de schaking hebben gegeven?

Men zou kunnen redeneeren: het feit dat de ouders geene macht over het kind hebben neemt niet weg dat zij z\jne ouders zijn en alleen daarom dus in aanmerking komen. Daartegenover staat echter dat ouders die van de ouderlijke macht of de voogdij ontzet zijn niets over hunne kinderen te zeggen hebben (behoudens de hier niet in aanmerking komende toestemming tot een huwelijk, die echter ook wéér niet nood-

Sluiten