Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk is en door verlof van den Kantonrechter vervangen kan worden). Hun wil heeft dus geenen invloed op het lot van het kind, alzoo ook niet op de bestaanbaarheid van een tegen het kind gepleegd misdrijf.

Bij 6. Nu kinderen, van ouders die uit de ouderlijke macht of de voogdij ontzet zijn volgens art. 93 B. W. zooals dit luidt na de wijziging van 1901 toestemming ook van hunne voogden noodig hebben, is het in deze aanteekening geopperde bezwaar vervallen.

Intusschen rijst uu de vraag of de bedoelde ouders nog klachtrecht hebben. Wel zegt art. 92 B. W. nieuw dat minderjarige echte kinderen de toestemming hunner ouders behoeven, doch ten aanzien van ontzette ouders lijdt deze bepaling uitzondering in zooverre als hunne toestemming in sommige gevallen vervangen kan worden door het verlof van den Kantonrechter, en dus in werkelijkheid niet noodig is.

Hetzelfde is trouwens het geval met de toestemming van voogden en met die van grootouders in de gevallen waarin deze de ouders vervangen.

Doch bij de klacht gaat het niet om de huwelijksvoltrekking, zoodat het geval waarin de Kantonrechter zou kunnen tussclienbeide komen niet aanwezig is. Daaruit volgt dat onder hen wier toestemming de minderjarige tot het aangaan van een huwelijk behoeft begrepen zijn al de in art. 92 volg. genoemde personen, onverschillig of die toestemming bij weigering door rechterlijk verlof vervangen zou kunnen worden. Onder die personen behoort dan ook niet de Kantonrechter, die trouwens geene toestemming maar verlof verleent.

Bij t. De eerste alinea vervalt nu ten gevolge van de wyzigingen, in art. 92 en 93 B. W. door de wet van 6 Februari 1901, Stbl. 62, gebracht, de voogd altijd klachtrecht heeft.

Alinea 3 moet worden gelezen: In een enkel geval kan de curator van eenen der ouders klachtrecht hebben, nl. wanneer hij volgens art507 B. W. nieuw voogd over hun kind is.

Artikel 285.

Bij 6. In overeenstemming met het in de eerste alinea gezegde besliste de Hooge Raad bij arrest van 29 Mei 1907 (Wbl. 8552, P. v. J. 675).

Artikel 295.

Bij 3. Ook ten aanzien van het opzet moet bewezen zijn dat het gericht is op de bewerking van eene levende vrucht; Hooge Raad 11 Maart 1907 (Wbl. 8520, P. v. J. 629). Zie voorts over opzet hierboven : Inleiding, bij opzet aanteekening 1).

Sluiten