Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de toelichting der bepaling deze zich aansluit bij die der wet van 19 Mei 1829, Stbl. 35, in welker Franschen tekst algemeen het woord eetwaren is vertaald door comestibles, dat eetwaren voor mensclien beteekent, in tegenstelling met aliments, terwijl er geene aanwijzing is dat men er meer onder wilde begrijpen.

Hiertegen is aan te voeren dat het verband niet tusschen de wet van 1829 en art. 320, maar tusschen haar en art. 174 is gelegd, welk laatste zich bij die wet aansluit (zie Memorie van toelichting) terwijl het eerste eenvoudig voorziet in bedrog in den handel.

Nu zegt de Hooge Raad wel dat deze strekking van art. 330 geene ruime interpretatie wettigt omdat de wetgever niet alle bedrog heeft strafbaar gesteld, en niet te verklaren zou zijn waarom wel eet- en drink-waren en geneesmiddelen, niet alle vervalschte waren zijn genoemd, maar dit argument bewijst niet dat binnen de termen van het artikel niet te brengen zou zijn al wat er naar de woorden onder valt; de vraag naar het waarom der beperking blijft er immers dezelfde door.

En het artikel noemt nevens eet- en drink-waren nog geneesmiddelen; daarvoor geldt toch zeker niet dat het verband met de wet van 1829 dwingt tot beperking tot geneesmiddelen voor menschen. Nu komt het mij voor dat in strijd met de geen onderscheid makende woorden der wet is de interpretatie: eet- en drink-waren voor menschen, en geneesmiddelen voor menschen en dieren.

Hiertegenover schijnt mij ook niet afdoende het argument, gebezigd in de aan het arrest voorafgegane conclusie van het openbaar ministerie dat overeenkomstige wetten van omliggende rijken blijkens uitdrukkelijke bepalingen of het onderlinge verband van artikelen alleen betrekking hebben op voedsel van menschen. Men kan bij wijze van argumentum a contrario ook andersom redeneeren; en uit de vreemde wetten af te leiden dat, toen ons wetboek werd samengesteld, niemand dacht aan strafbaarstelling van vervalsching van veevoeder schijnt mij evenmin gerechtvaardigd. Uit die wetten blijkt toch dat men de mogelijkheid van die strafbaarstelling voor oogen heeft gehad, anders was er immers geene aanleiding geweest tot beperkende bepalingen.

Artikel 340.

Bij 4. In gelijken geest besliste ook de Hooge Eaad bij arrest van 22 Januari 1906 (Wbl. 8329, P. v. J. 673) ter weerlegging van het betoog dat hij die voor het faillissement den dader geholpen heeft in het verbergen van goed niet als medeplichtige gestraft zou kunnen worden omdat het feit, eerst misdrijf geworden door het faillissement, ook eerst gepleegd zou zijn te beginnen met het oogenblik waarop het faillissement is uitgesproken.

Sluiten