Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van deelneming in eene verbodene loterjj, door wien en door welke middelen ook gepleegd, op zich zelf eene overtreding oplevert.

Het mag zijn dat genoemde artikelen niet geschonden waren, toch had m. i. de Hooge Raad zich de vraag moeten stellen of het bevorderen door middel van enkel uitgeven van een geschrift ooit onder de strafbepaling kan vallen.

Nu heeft de wetgever voor misdrijven de aansprakelijkheid van drukker en uitgever in den regel uitgesloten, alleen onder enkele omstandigheden aangenomen; en het is niet aannemelijk dat zonder uitdrukkelijke wetsbepaling de verantwoordelijkheid in geval van overtreding uitgebreider zou zijn dan in geval van misdrijf. Uit het feit dat in het ontwerp van het wetboek de uitgever of drukker die zich binnen de grenzen van zijn beroep houdt als medeplichtige werd aangemerkt, en medeplichtigheid aan overtreding niet strafbaar is, blijkt dat zijne verantwoordelijkheid in geval van overtredingen verworpen werd.

Van de latere bijzondere wetten moet worden aangenomen dat zij beheerscht worden door de beginselen van het wetboek van strafrecht, tenzij blijk gegeven is dat men van die beginselen heeft willen afwijken, en daarvan blijkt niet tenzij de omschrijving van het strafbare feit er noodzakelijk toe dwingt.

Wanneer nu zonder meer het bevorderen van eenige handeling strafbaar wordt gesteld, moet het altijd zijn onder de stilzwijgende uitzondering van bevordering door uitgevers en drukkers door middel van de drukpers voor zoover niet art. 53, 54, 418 of 419 toepasselijk is.

9. Het hier bedoelde misdrijf is een ander dan het door den schrijver gepleegde; beperkende bepalingen betreffende de vervolging en de strafbaarheid van den schrijver komen dus voor uitgever en drukker niet in aanmerking; deze kunnen zich alzoo in geval van smaadschrift niet beroepen op de bepalingen van art. 261—263; Rechtbank Alkmaar, 26 September 1905 (Wbl. 8287). Vgl. aant. 2 op art. 271.

Artikel 421-423.

Bij 1. De tweede alinea van bladz. 356 worde gelezen als volgt:

Anders oordeelde de Hooge Raad, bij arrest van 21 November 1904 (Wbl. 8198, P. v. J. 398) beslissende dat mishandeling gepleegd tegen de personen of op de wijze bij art. 304 genoemd niet ais een afzonderlijk misdrijf moet worden beschouwd doch als het misdrijf van art. 300, gepleegd onder verzwarende omstandigheden, dat dan ook bij het bestaan van een der in art. 304 genoemde gevallen het misdrijf van mishandeling is gepleegd, en de strafbepaling van art. 300 onderworpen is ook aan de bij art. 422 bepaalde verhooging, staande nevens die van art. 422.

Sluiten