Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Slapen dede, endo die vrouwe, Fnde sprac sijn wort met trouwen, Dat si beido sliepen vast.

165 Doo ontstal hem Elegast

Sinen sadel endo sijn swaert, Dat hi lief hadde ende vaert,

Ende maecto hom siero verde Buten hove tsinen porde

170 Toten coninc, dien sero verdochto.

§ 2. Britsche Romans.

De Britsche romans zijn van Keltischeu, dus vreemden oorsprong, en kenmerken zich doordat het geheimzinnige en wonderbaarlijke (A. vs. 5—23, B. vs. 20—25, C. vs. 1—37), een bijna afgodische vereering voor de vrouw (vergl. daarentegen p. 10 vs. 147) en een vaak dweepzieke vroomheid, er sterk in op den voorgrond treden.

Zij verhalen ons öf van de wonderbare avoDturen van koning Arthur en zijn „Ridders van de Tafelronde," of van de eindelooze zwerftochten der ridders, die het heilige Graal trachten te vinden.

In de romans van de eerste soort is meestal roemzucht of de liefde voor een schoone jonkvrouw de drijfveer der ridders. Op hun avontuurlijke tochten ontmoeten dezen de zonderlingste wezens, als draken (B.), reuzen en dwergen, of ondervinden zij den invloed van geheimzinnige machten (C. vs. 29—37). De voornaamste „ridderlijke" deugden, waarin zij trachten uit te munten, zijn: trouw aan het eens gegeven woord, dapperheid, vroomheid, en gehoorzaamheid aan hun vorst liet beschermen van allen die hulp behoeven, in 't bizonder jonkvrouwen, is hun hoogste plicht.

De meest bekende dezer romans is de

Roman van Walewcin,

door twee Dietsche dichters naar Fransche bronnen bewerkt.

In de romans van de tweede groep, die het heilige Graal tot middelpunt hebben, speelt het geheimzinnige zoo mogelijk een

Sluiten