Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 1. Geestelijke Epiek.

De geestelijkheid, die, als meest ontwikkelde stand, zich reeds vroeg met het beoefenen der letterkunde bezighield, en zelfs wel wereldsche onderwerpen bezong, kon op den duur zich niet onzijdig houden ten opzichte van de steeds zinnelijker wordende,

wereldsche ridderpoëzie.

Wel hadden de Graalromans een godsdienstige kleur, maar men trof er naast de vroomheid vaak zooveel verfijnde zinnelijkheid in aan, dat de geestelijken zich geroepen voelden het volk iets beters te geven. Tegenover den, ook in de oogen van het volk, onwaren inhoud der romans van den prachtlievenden koning Arthur en zijn twaalf ridders, stelden zij de ware geschiedenis van den lijdenden koning Jezus en zijn twaalf apostelen; tegenover de vaak wulpsche jonkvrouwen de reine, heilige moedermaagd.

Toch zijn zij niet gelukkig geweest in hun streven; vooral dan niet, wanneer zij trachtten het leven van een heilige of martelaar (ares) op roerende wijze te beschrijven. Ook dan geven zij zooveel onnatuur, zooveel ziekelijkheid, dat de geestelijke poëzie in dat opzicht vooral niet beter is dan de Britsclie romans. Toch hebben wij één voortbrengsel der geestelijke epiek,

de Sproke van Beatrys,

dat terecht voor een juweeltje gehouden kan worden (zie bv. A. vs. 96-98; B.; C. vs. 21—24, 59—78).

Gunstig steekt deze sproke door haar eenvoud en den logischen gang der feiten af tegen de fantastische heiligenlevens.

Zij is door een onbekenden dichter in 't begin der 14e eeuw geschreven, en bewerkt naar een Latijnsch kloosterverhaal.

Inhoud, van: de Sproke van Beatrijs.

De vrome non Beatrys kan, hoe nauwgezet zij haar plichten als „oosterse" ook waarneemt, niet uit haar hart bannen de liefde, die zij sinds haar 12e jaar voor haar minnaar koestert. Zij besluit dan ook

3

Sluiten