Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koningszoon geboren is, die den koning van Damast dooden, zijn dochter Damiet tot het Christendom brengen, en haar daarna huwen zal. Er is maar één middel om deze rampen te voorkomen, nl. het kind te stelen of te koopen en het in Damast op te voeden, zoodat het meenen zal een zoon van den koning van Damascus te zijn.

Platus gaat op bevel van zijn koning terstond op reis naar 't „kerstenland," waar hij Robbrecht dadelijk ontmoet, die het kind juist wil dooden.

Meester. Vrient, es hi van dien partien,

Soe es die jonghelinc mijn gherief; Ic salne copen, eest u lief. 30 Nu spreect op, hoe gheefdine miP

Robbrecht. Vrient, dies moghdi wesen vri:

Om dusent pont van goude ghetelt. Meester. Houdt, vrient, daer es geit,

Ende gheeft mi den jonghelinc. 35 Maer berecht mi ene dinc:

Hoe es sijn name? doet mi bekant. Robbrecht. Esmoreit het die jonghe wigant,

Alsoe es die name sijn.

Meester Soe sal hi ewelyc payijn 40 Bliven, dies moghdi wesen vroet

Mamet die mi bewaren moet,

Ende ic vare wech met minen gast.

Als Platus weer in zijn land terug is, roept de koning zijn dochter:

Damiet bi minen god,

Anesiet hier desen roeden mont,

45 Desen jonghelinc, dit es een vont,

Mamet heeften mi verleent.

Ic hoerden daer hi hadde gheweent,

Daer ic in die boegaert wandelen ginc,

Daer vandic desen jonghelinc 50 Onder enen cederenboem.

Damiet, nu nemes goem Ende houtten op als uwen broeder:

Ghi moet sijn suster ende moeder,

Esmoreyt heyt dese jonghen man.

Damiet is zeer in haar schik en neemt hem mede. Dan zien we plotseling Robbrecht weer optreden, die den koning van Cecilien wijs maakt, dat zijn vrouw hem bedriegt, en dat zij het kind heeft gedood.

Sluiten