Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op grond van Robbrechts lasterlijke beschuldigingen wordt de arme koningin in den kerker geworpen, waar zij aldus in jammerklachten uitbarst.

55 Ay god, ontfermt u dit swaer torment

Daer ic in ben, want ic hebbe mijn kint Verloren, ende men tijcht mi ane di daet. Ay, gheweldich god, daer al an staet,

Ghi waert sonder verdiente ende sonder scout 60 Vaste ghenagelt ane ene hout,

Oetmoedech god, met naghelen dri,

Ontfermhertich god , nu biddic di,

Dat die waerheit noch werde vernomen Ende ic te mynder onscout moet comen: 65 Dies biddic u, hemelsche coninghinne.

Nu hulpt mi noch te minen besceit Dat ic onsculdich moet vonden sijn.

Esmoreit, plotseling 18 jaar geworden, legt zich te slapen in „de bogaert", waar zijn vermeende zuster Damiet gewoonlijk wandelt. Uit haar alleenspraak, die hij, voor haar oog verborgen, beluistert, bemerkt hij, dat zij hem bemint, maar tevens ook, dat hij een vondeling is. Hij heeft nu geen rust of duur, voor hij weet wie zijn ouders zijn. Hij wil hen gaan zoeken, maar moet Damiet beloven weder te keeren, zoodra hij zijner „saken vroet" is. Ten slotte zegt ze:

O Esmoreit, nemet desen bant:

70 Hier in soe waerdi ghewonden,

Esmoreit, doen ghi waert vonden:

Edel jonghelinc, dies gheloeft.

Ghi selten winden omtrent u hoeft Ende voerten alsoe openbaer 75 Op avontuere, of iement waer

Die u kinnen mochte daer an,

Ende peinst om mi, wel scoene man,

Want ic blive in groter sorghen.

Esmoreit is nu onmiddellijk in het kerstenland, en loopt, al klagende over de onzekerheid, waarin hij verkeert, langs het „prisoen", waarin zijn moeder gevangen zit. Zij heeft zijn klachten gehoord, en zegt:

O edel jonghelinc, nu comt tot mi 80 Ende sprect jeghen mi een woert,

Sluiten