Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125 Esmoreit, doen ghi waert vonden

Ende ghi mi ghenomen waert.

Do jonghelinc. O lieve moeder, segt mi ter vaert,

Hoe heet die vader die mi wan?

Sine moeder. Dats van Cecilien die hoghe man, 130 Es u vader, scoene jonghelinc,

Ende van Hongherien die coninc Es die lieve vader mijn:

Ghi en mocht niet hogher gheboren (sijn) Int kerstenrijc yerre noch bi.

135 De jonghelinc. O lieve moeder, nu segt mi,

Waer omme lighdi aldus ghevaen?

Sine moeder. O lieve kint, dat heeft ghedaen Een verrader valgch ende quaet,

Die uwen vader gaf den raet

140 Dat ic u selven hadde versmoort.

Esmoreit roept nu wraak uit over den verrader, die hen beiden zoo ongelukkig heeft doen zijn, en dankt Mamet en Apolyn, dat hij zijn moeder teruggevonden heeft. Zijn moeder dankt God voor het uur der verlossing, dat nu voor haar aangebroken is. Zij wordt uit den kerker bevrijd, en Esmoreit verhaalt aan zijn ouders zijn wedervaren. Op verzoek van zijn vader wordt hij Christen. Robbrecht, die nog altijd niet als de schuldige bekend is, heeft een feestmaal aangericht.

Nu komen de „jonghe joncfrou Damiet," die ongerust was over het lange uitblijven van Esmoreit, en meester Platus, beiden als „pilgheryn' gekleed, aan het hof, om Esmoreit te zoeken. De koning ontvangt hen vriendelijk en doet afstand van den troon ten behoeve van Esmoreit en Damiet.

Door meester Platus, die Robbrecht herkent, komt nu de waarheid aan den dag. Robbrecht wil wel ontkennen, maar niets helpt hem, en Esmoreit roept uit:

141 Ay mi, Robberecht, fel keitijf!

Met rechte ic u wel haten mach.

Ghi selt nu hebben uwen doernsdach,

Al die werelt en holpe u niet.

145 Robbrecht hanct men hier.

De jonghelinc noch. Aldus eert menichwerf ghesciet:

Quade werke comen te quaden loene,

Maer reine herten spannen croene,

Die vol doeghden sijn ende vol trouwen.

Daeromme radic, heren ende vrouwen,

k

Sluiten