Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII. DE REDERIJKERS.

De Rederijkerskamers of kamers van Rhetorike ') zijn gedeeltelijk onder Franschen invloed

ontstaan,

al zijn zij hoogstwaarschijnlijk voortgekomen uit de zoogenoemde geestelyke broederschappen, welke van Germaanschen oorsprong zijn. Uit deze ontwikkelde zich, onder invloed van het bloeiende glldewezen, een letterkundig gild, dat allen vereenigde, die lust gevoelden tot de beoefening van kunst en wetenschap.

Deze letterkundige gilden kwamen in korten tijd tot grooten bloei, en waren weldra over geheel Noord- en Zuid-Nederland verbreid.

De oudste kamers zijn in Zuid-Nederland: De Alpha en Omega te Yperen (14e eeuw), De Violieren te Antwerpen (1400) en Het Boek te Brussel (1401) en in Noord-Nederland: tiet Bloemlen Jesse te Middelburg (1430), De Goudsbloem te Gouda (1483), De Rapenbloem te Delft (1487) en De Eglentier te Amsterdam (1517).

De inrichting

der Kamers was vrij wel overal gelijk.

Ter versterking van hun positie en tot verhooging van hun aanzien boden zij óf den landsheer, öf een aanzienlijk edelman het eere-voorzitterschap aan. Deze kreeg dan den naam van Prins of Keizer 2). Op hem volgde in waardigheid de deken, die aanteekening hield van de handelingen der kamer. Een gewichtige bestuursfunctie was ook die van den fiscaal of breukmeester,

1) Rhetorike = rhetorica, welsprekendheid.

De naam rederijker berust op volksetymologie, en is ontstaan uit rethoriker (lid v. e. kamer van rhetorike). Een andere naam is retrosyn, een verbastering van réthoricien.

2) De meeste rederijkersgedichten eindigen met een opdracht aan den Trinee; het laatste couplet wordt daarom ook wel Frince genoemd, (vgl. pag. 101).

Sluiten