Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. DE OUDE KAMER.

Algemeene opmerkingen.

Terwijl, zooals we zagen (pag. 87), de meeste rederijkerskamers in de 2e helft der 17e eeuw in verval geraakten, of geheel van karakter veranderden, hield de Amsterdamsche kamer De Eglentier zich krachtig staande, en was zij in het begin der 17e eeuw de kweekplaats onzer groote dichters.

Na den val van Antwerpen (1584), toen ook vele Vlamingen en Brabanders naar 't Noorden uitweken en te Amsterdam zelfs twee kamers oprichtten, kreeg de Eglentier meestal den naam van Oude Kamer.

In het overgangstijdperk van de 16e tot de 17e eeuw is zij vooral van beteekenis door het aanmoedigen van studie, het opwekken tot vrije en breede ontwikkeling, en het krachtig pogen tot taalzuivering en -hervorming. Vier werken, voor 't grootste deel door Spieghel, Roemer Visscher en Coornhert geschreven , moesten dienen om de opvattingen van de hoofdmannen der Kamer te verbreiden. Wellicht geschiedde dit echter nog beter door het goede voorbeeld, dat Coornhert en R. Visser gaven in hun dichten prozawerken, die we nu afzonderlijk zullen bespreken.

§ 1. Dirk Volkertsz. Coornhert (1522—1590).

Een der merkwaardigste figuren uit den veelbewogen tijd, waarvan hier gesproken wordt, is voorzeker D. V. Coornhert, wiens krachtige persoonlijkheid vanzelf op den voorgrond kwam, hoewel hij buiten de partijen stond en uiterst verdraagzaam .was.

Hij was in 1522 te Amsterdam geboren, waar hij ook zijn jeugd doorbracht. Na zijn huwelijk, tegen den zin zijner moeder, vestigde hij zich te Haarlem, waar hij eerst als plaatsnijder, later als notaris en secretaris der stad zjjn brood verdiende. Tevens

Sluiten